Veronica's geheim

EEN JAAR, twee jaar geleden struikelde je overal waar het over computers ging vrijwel dagelijks over het woord multimedia. Multimedia was de toekomst, het zou de manier waarop we met kennis omgaan en kennis overdragen revolutionair veranderen. Sindsdien is het een stuk rustiger geworden. Elke standaard PC heet tegenwoordig multimedia-PC, maar verder maakte multimedia plaats voor de zorg over zaken als het millenniumprobleem en de strapatsen van Bill Gates. Ondertussen was onduidelijk gebleven wat dat geheimzinnige `multimedia' nu eigenlijk betekende, behalve PC's met speakers uitrusten.

Multimedia is dan ook niet veel anders dan een nieuwe zak om oude wijn. Een modern woord voor iets dat al sinds mensenheugenis bestaat. Wie om wat voor reden dan ook contact zoekt met anderen gebruikt daartoe als vanzelf alle middelen, de media, die hem ten dienste staan. Althans, je maakt een keuze uit die middelen, die afhangt van wat je wilt bereiken. Soms kies je maar één medium, zoals romanschrijvers, die zich bewust beperken tot het geschreven woord. Plaatjes zijn in die wereld, zeker tegenwoordig, hoogstens iets voor kinderboeken. Daar zit ook iets in. Een goede schrijver kan bij zijn lezers een heel duidelijk beeld oproepen van hetgeen hij beschrijft, maar het is wel telkens een ander beeld. Het is de vrucht van de fantasieën van de schrijver en de individuele lezer, dat zo nauw mogelijk bij die ene lezer aansluit. Plaatjes belemmeren die individuele invulling. Wie ooit de verfilming zag van een eerder gelezen boek, kent het verschijnsel: je favoriete helden kloppen gewoon niet. Sterker nog is het omgekeerde effect: wie de film eerst zag, komt aan het boek zelden meer toe. Dat komt niet doordat het plot al bekend is, maar doordat je geen eigen beeld meer kunt vormen. De acteurs en decors uit de film zitten dwars.

Sommige uitingsvormen zijn naar hun aard monomediaal. Schilder- en beeldhouwkunst bijvoorbeeld. Daar gaat multimedialiteit niet verder dan de talige titel die een werk meekrijgt, of een tekst als Magrittes `ceci n'est pas une pipe' op het doek. Erg veel monomediale vormen zijn er verder niet. Instrumentale muziek, de doe-wi-da zang van de Swingle Singers, en dan heb je het wel gehad. De meeste vormen van natuurlijk contact zijn nu eenmaal multimediaal. Zelfs het doodgewone gesprek, waarin lichaamstaal en gezichtuitdrukkingen net zo informatief en belangrijk zijn als het gesproken woord, zoals elke onderhandelaar weet. Toneelvoorstellingen zijn bijna altijd combinaties van tenminste woord en beeld of dans, muziek en zang. In de opera komt alles bij elkaar. Elke ouderwetse leraar is, met zijn toespraken, gesprekken, leer- en werkboeken, en schoolbord met krijtje zelfs een waar multimediawonder.

Pas toen de techniek nieuwe, krakkemikkige communicatiemiddelen ontwikkelde, werd er over multimedia voor het eerst nagedacht. De stomme film leed pijnlijk onder het gebrek aan geluid, en verdween na 1927 in sneltreinvaart voor de multimediale geluidsfilm. De telefoon is ook zo'n schraal eenkanaalsmedium. Armetierig praten om een hoekje.

Althans, dat denken techneuten en visionairs. Beeldtelefoon willen ze! De gewone beller denkt er blijkbaar heel anders over. Die ziet net als de romanschrijver voordelen in de schraalheid van zijn medium. Zelfs nu er via de omweg van de computer een begin van bereikbare beeldtelefonie is, zie je geen vraag ontstaan. Het verschijnsel is in kleine kring populair, meer als spannend gluurmiddel dan wat anders. Dat zal wel overgaan, maar het ziet er niet naar uit dat beeldtelefonie de gewone telefoon ooit zal verdringen.

Als term is multimedia een kind van de computer. Immers, computers maakten niet alleen nog weer nieuwe media mogelijk, maar boden bovendien kansen om allerlei systemen te koppelen en dooreen te husselen. En dat is ook allang gebeurd, sluipenderwijs. En het is de vraag of het een zegen is. Met het presentatieprogramma Powerpoint maakt iedereen bijvoorbeeld tegenwoordig flitsende `sheets' bij zijn toespraken, maar of de praatjes daar ook maar een cent beter van geworden zijn? Meer blijkt toch vaak alleen maar méér, niet beter.

Veel geniepiger is de multimediacombinatie van computer, telefoon en een beeldmedium, waarmee mensen geld wordt afgetroggeld. Een blaadje, een advertentie, of een tv-programma lokt de slachtoffers, via de telefoon haal je ze binnen op een dure lijn, en de computer stuurt de beller zo lang mogelijk van het kastje naar de muur – druk nu een twee! Kassa.

Veronica spant daarin wel de kroon. In het programma Nachtsuite, dat soms ook Vegas Nights heet, zit een beledigend gemakkelijke kijkersvraag met een aardige geldprijs. Een van het kaliber ``hoe heet de oudste zoon van de koningin?'' Bel ons, staat onder in beeld, met bijna onleesbaar ernaast iets als 0,95pc – per belletje dus. Dat lijkt bijna niemand te doen, want ook de presentator roept elke twee minuten ``bel nou, we hebben nog niemand aan de lijn. Dit is het enige programma waar niemand naar kijkt.'' Maar dat is schijn, het werkt zo:

Wie belt, blijkt eerst een ``codegetal'' te moeten kiezen om ``direct naar de studio te worden doorverbonden''. Je drukt een zes, waarop steevast klinkt ``jammer, het codegetal was dit keer 2. Probeer het nog eens!'' En dát gaat dus niet. Daarvoor moet je opnieuw bellen, voor weer bijna een piek.

Dit is geen programma, dit is een multimediale gokkast van het oncontroleerbare type dat in de snackbar streng verboden is. Een computergokkast die gegarandeerd zo is afgesteld dat niemand het goede getal `raadt' voordat de rekening van Veronica dik in de plus staat. Doorgaans welingelichte kringen fluisteren van tienduizenden belletjes per aflevering. Dat is ook niet gek, want met een herhaalknop belt een eenvoudige gokverslaafde gemakkelijk 250 gulden per uur weg.

Veronica verdient nu al maandenlang tonnen per week aan een illegaal gokspel. Want een verboden kansspel is het, omdat het legaliserende behendigheidselement, de quizvraag, pas bereikbaar wordt nadat de corrupte gokkast is verslagen. Maar ja, als Nachtsuite begint, liggen ze bij het openbaar ministerie kennelijk al lang en breed op een oor.