STOFMIJT

Regelmatig lees ik met smaak de stukjes van Rik Smits over onderwerpen uit de informatica. In zijn kolom `Stofmijt' (W&O, 6 februari) stelt hij dat hoogleraar informatica Jan Bergstra in een ivoren toren zit omdat deze zich niet wil inzetten om het 2000-probleem te helpen oplossen. Het is jammer dat Smits niet ziet dat vergelijking van het millenniumprobleem met een stofmijt niet opgaat.

Stofmijten kun je inderdaad met een stofzuiger te lijf en je zult dan een zeker percentage vangen. Het millenniumprobleem is echter beter te vergelijken met een wereld vol motoren, van klein tot groot, waarvan onduidelijk is waar ze zich bevinden en waarvan de kogellagers ondeugdelijk zijn. Een universitaire natuurkundige gaat die ook niet opsporen en verbeteren. Schoolverlaters zouden desnoods nog wel ingezet kunnen worden om dit bij die kogellagers te doen. Dat komt omdat het relatief gemakkelijk is te zien of de vervanging geslaagd is. Maar bij het verbeteren van de millenniumfouten in software is dat veel moeilijker. In veel gevallen zelfs onmogelijk als het doel van het (deel-) programma niet meer bekend is. Daarom is het zeer riskant als amateurs aan de code van programma's gaan sleutelen.

Een universitaire natuurkundige houdt zich bezig met het onderwijzen en het verder ontwikkelen of toepassen van zijn vak, niet met het tegengaan van ondeugdelijk gebruik ervan. Zo ook bij een vakgenoot informaticus. Deze laatste houdt zich bijvoorbeeld bezig met de kunst van het interactief programmeren, hoe je de bedoeling van interactieve toepassingen precies weergeeft, alvorens een programma ervoor uit te werken (dat kan ingewikkeld worden). Of hoe men met de grootst mogelijke zekerheid zich ervan vergewist dat door een programma aan de bedoelingen voldaan is. Dat is belangrijk omdat bijvoorbeeld interactieve besturingsprogramma's feilloos dienen te werken.