Opkomst van de sciëntometrist

HET PUBLICEREN is vanaf de zeventiende eeuw de drijvende kracht van de wetenschap. Door te publiceren laat de onderzoeker zien wat hij te vertellen heeft, zwart op wit. Het is de essentie van een der meest cruciale processen in de wetenschapsbeoefening: het vastleggen van een claim op een bevinding of ontdekking, het communiceren van de gang van zaken in het onderzoek, en daarmee het uitlokken van kritiek. Zonder dat is er geen wetenschappelijke vooruitgang.

Dan, zo tegen het eind van de vorige eeuw, manifesteert zich binnen het publiceren een nieuw fenomeen: het in een artikel verwijzen naar eerder werk. Het cumulatieve karakter van de wetenschap en de exponentiële groei van het aantal publicaties, maakte ook dit verschijnsel, net als de geboorte van het wetenschappelijke tijdschrift, onvermijdelijk. De referentie in een nieuw artikel, oftewel de citatie naar een eerder artikel, is geboren. We moeten uitkijken met dat `oftewel': wetenschapsdynamicus Paul Wouters, die komende dinsdag in Amsterdam op het proefschrift The Citation Culture hoopt te promoveren, besteedt juist veel aandacht aan het verschil tussen referentie en citatie, ondanks hun Siamese twee-eenheid. De referentie is als het ware een momentane, extra `bagage' van het artikel waarin deze referentie opgenomen is. Als citatie kan ze, door de tijd heen, een eerder artikel in betekenis `verzwaren'. Dit verschil is een belangrijk element in de bibliometrie, het vakgebied dat de ontwikkeling van de wetenschap bestudeert aan de hand van publicaties. Het is terecht dat Wouters aan deze asymmetrie van het verwijzen veel aandacht besteedt.

gehaat

Het opnemen van referenties in artikelen heeft er uiteindelijk toe geleid dat er in de loop van de jaren vijftig wéér iets onvermijdelijks ontstaat: de Science Citation Index. Welke publicatie, van wie, wordt waar en wanneer geciteerd. We weten het: heden ten dage is de Science Citation Index het bekendste, meest gebruikte, maar ook meest gehate wetenschappelijke gegevensbestand ter wereld.

De beschikbaarheid van citatie-gegevens, oorspronkelijk als informatiebron bedoeld, leidde al snel tot citatie-analyse gericht op evaluatie van wetenschappelijk presteren. De rode draad door Wouters' werk is dat bovenstaande ontwikkeling de wetenschapsbeoefening niet onberoerd heeft gelaten, en dat er sprake is van een nieuwe subcultuur in de wetenschap: de citatiecultuur. Deze citatiecultuur beïnvloedt vooral het beleid ten aanzien van de wetenschap.

ontstaansgeschiedenis

Het is onmogelijk de opkomende `citation culture' te begrijpen zonder kennis van de er aan ten grondslag liggende technologie, `citation indexing'. Daarom voert Wouters de lezer snel naar een fascinerend deel van zijn proefschrift, de ontstaansgeschiedenis van de Science Citation Index. Iedere wetenschapper die in het fenomeen citeren geïnteresseerd is — en dat zijn ze bijna allemaal — zou deze hoofdstukken moeten lezen. In goed en vlot Engels schetst Wouters het verleden van de hoofdrolspeler en held: Eugene Garfield, de Amerikaanse creator van de Science Citation Index. Het avontuur begint rond 1953 en loopt door tot de dag van vandaag. Wouters beschrijft een belangrijk stuk contemporaine wetenschapsgeschiedenis (`I think you are making history, Gene!') waarbij vooral de onvermijdelijkheid van het ontstaan van zoiets als een citatie-index duidelijk geanalyseerd wordt. Ook merken we dat thema's die nu trendy zijn — interdisciplinariteit, onoverzichtelijkheid en fragmentatie der wetenschap door de sterke groei, de infrastructuur van het elektronisch publiceren — al dertig, veertig jaar oud zijn. Boeiend is te zien hoe de juridische praktijk (het systematisch vastleggen van annotaties betreffende jurisprudentie) de bakermat vormde voor een algemene, multidisciplinaire citatie-index, terwijl diezelfde citatie-index voor het juridisch onderzoek niet of nauwelijks van belang is.

Na de analyse van de ontstaansgeschiedenis met haar `technische wortels', gaat Wouters op zoek naar de `klimatologische wortels' van de Science Citation Index. Hij komt uit op het marxistische Oost-Europa van de jaren twintig en dertig met als leidende figuur Boris Hessen. Deze Rus had grote belangstelling voor onderzoek naar ontwikkeling (en beïnvloeding, de marxistische invalshoek) van de wetenschap zelf: `science of science'. Hessen, zo beschrijft Wouters, oefende grote invloed uit op Westerse wetenschapsbeoefenaren als Bernal en Merton. Zij vestigen kort voor WO II een kwantitatief-empirische sociologie van de wetenschap. Merton, die aan Columbia University op dit gebied school maakte, had tijd nodig de schok van de uitvinding van dit nieuwe `instrument' te verwerken: het duurt tot eind jaren zeventig alvorens hij de Science Citation Index ten volle `erkent'. Mooi wordt door Wouters beschreven hoe de grote Merton het betreurt, ja onvergeeflijk vindt dat hijzelf de citatie-index niet reeds lang had uitgevonden!

Het is De Solla Price, fysicus en later hoogleraar wetenschapsgeschiedenis aan Yale, die gebiologeerd raakt van de citatie-index om er de wetenschap mee te meten. Begin jaren zestig is De Solla Price niet meer weg te slaan bij Garfield. `Please reply with more data', schrijft hij in zijn brieven. Price heeft prachtig werk met die gegevens gedaan. Zo onderzocht hij de cumulatieve groei van de wetenschap, citeer-netwerken van publicaties, veroudering van wetenschappelijke kennis, en de grote verschillen hierin tussen wetenschapsgebieden. Het is kenmerkend voor de jaren zeventig dat vele kwantitatieve methoden worden uitgeprobeerd om te achterhalen wat wèl en wat niet op basis van citatie-analyse over de sociale en intellectuele structuur van de wetenschap valt te achterhalen. En natuurlijk wordt er veel gevonden. Wouters noemt deze vondsten `signs of science' en hij analyseert hoe er mee omgegaan wordt. Het is immers van eminent belang om er achter te komen, of een vondst iets werkelijks voorstelt, of alleen een raar artefact van de gegevens en van de op deze gegevens losgelaten bewerking. Een voorbeeld van dit laatste is co-citatieanalyse.

helden

In het hoofdstuk `Rating Science' brengt Wouters ons bij het pièce de résistance van de sciëntometrie: het gebruik van de citatie-index voor beoordeling en evaluatie van wetenschappelijk werk. De historische inleiding is naar mijn smaak teveel op de Nederlandse context gericht. Dit is overigens niet geheel ten onrechte omdat ons land van begin af aan opmerkelijk `open' stond voor sciëntometrische methoden. Ook als het gaat om het daadwerkelijk inzetten van citatie-analyse bij evaluatie had wel iets meer buiten de Nederlandse grenzen gekeken mogen worden. Er wordt een groot gewicht toegekend aan het werk van de toenmalige Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid (RAWB), nu de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). Binnen de Nederlandse situatie is dat begrijpelijk, maar het gaat wel wat ten koste van het internationaal veel invloedrijkere Leidse werk (dat bovendien ook eerder was, in tegenstelling tot wat in de verdere tekst gesuggereerd wordt). Even dreigt Wouters' proefschrift af te glijden van een beschrijving van `echte helden' en de analyse van hun drijfveren naar een toneel van local heroes.

Wouters herstelt de internationale orde waar hij de schijnwerpers richt op een van de belangrijkste blijken van emancipatie van een vakgebied: het ontstaan van een (succesvol) eigen tijdschrift. Dit tijdschrift, toepasselijke Scientometrics geheten, behandelt Wouters vervolgens met de methoden van de sciëntometrie zelf. Dit `sciëntometrisch zelf-portret' biedt inzicht in de structuur van het vakgebied, en wie er de lakens uitdelen. De bevindingen wijzen op een vakgebied met een sterke eigen identiteit, en een omvangrijke maar wel `stabiele fragmentatie'. Het is kenmerkend voor een gebied met een sterke competitie tussen groepen. Wouters schrijft dit toe aan de dominantie van het indicatorenwerk dat veelal op basis van contractonderzoek wordt uitgevoerd. En daarin heeft hij gelijk. Sciëntometrie bestaat nu eenmaal niet for your eyes only.

chagrijnig

En dan. De lezer heeft het gevoel nu alles over sciëntometristen te weten. Maar in het laatste hoofdstuk tovert Wouters een `theorie van alles', nou ja, van alles dat met citaties te maken heeft, uit zijn hoed. Dat is echt leuk, want in het vakgebied wordt steen en been geklaagd over het ontbreken van zo'n theorie. Chagrijnig dat deze theoretici zijn! Wouters niet. Die beweert doodleuk — en dat brengt almost tears to my eyes — dé oplossing van dit slepende probleem aan te reiken. De essentie is dat sciëntometrie met zijn indicatoren een nieuwe, `geformaliseerde' representatie van de wetenschap geschapen heeft waar niemand nog omheen kan. Deze geformaliseerde wereld staat in wisselwerking met de `innerlijke', informatie-verwerkende wereld van kennis en vaardigheden, instituties en gewoonten — door Wouters de `paradigmatische representatie' genoemd. In deze interactie heeft het proces van citeren een spilfunctie. Het voordeel van deze benadering is dat ze een globale eigenschap van een complex geheel weergeeft, zonder dat detailkennis over citeergedrag van individuele onderzoekers vereist is. Dat laatste is statistisch een weinig zinvolle aanpak om resultaten aan de `andere' kant (het geciteerd worden) te verklaren. Alweer dat formele verschil tussen referenties en citaties, waarmee we begonnen zijn.

Paul Wouters: The Citation Culture. Proefschrift, Universiteit van Amsterdam, 9 maart 1999. Faculteit der Scheikunde, promotor: prof.dr. S.S. Blume.

Prof.dr. A.F.J. van Raan is natuurkundige en hoogleraar in het kwantitatief-empirisch onderzoek van wetenschappelijke ontwikkelingen aan de Universiteit Leiden.