Onaangepast

Laatst stuitte ik bij het opruimen van de boekenkast op Milikowski's `Lof der onaangepastheid', een van die populaire boeken uit de jaren zestig die net als `Wie is van hout' van de psychiater Foudraine gretig geconsumeerd werden, en verteerd en half verteerd opgenomen werden in het denken van de dag.

Wat beide boeken kenmerkt is de waardering voor de regelovertreder, voor de niet-aangepaste mens, voor degenen die niet in het maatschappelijk gareel willen of kunnen lopen. In plaats van hen te dwingen zich aan te passen moest er naar hen geluisterd worden, hoe lastig te ontcijferen hun boodschap ook was, of hoe ongepast hun kritiek ook werd gevonden. Begrip en empathie voor gestoorde en storende medemensen, dat was de progressieve houding die je je als modern mens eigen moest maken.

Lof der onaangepastheid verscheen in 1961, trok toen niet veel aandacht, een tweede druk kwam in 1967, en toen volgden de drukken elkaar in rap tempo op.

De openingszin van het boek zet direct de toon, de toon van de socioloog (wat Milikowski was) maar vooral ook de toon van de tijd. `Het euvel van misschien wel elk opvoedingssysteem tot op heden is dat het weinig of geen plaats heeft voor de onaangepaste mens, voor de onaangepastheid in de mens. De onaangepaste was in de historie de zondige, de afvallige, de misdadige, de onmaatschappelijke. Hij moest verdoemd worden, uitgebannen. Hij werd beschouwd als de ordeverstoorder, al was hij in werkelijkheid slechts degene die uitriep dat de orde verstoord wás, dat alle orde tijdelijk is.'

Hiermee is de toon gezet: eerherstel voor de ordeverstoorder; en de identificatie aangegeven: niet met de gevestigden maar met de onaangepasten.

En hierin schuilt het grootste verschil met deze tijd. Was het protest in de jaren zestig en zeventig vooral gericht tegen de gevestigde orde, vanaf de jaren tachtig richt die zich vooral tegen alles wat die orde bedreigt, schrijft de socioloog Cas Wouters.

Dat is in de jaren negentig niet minder geworden. De maatschappelijke verontrusting en verontwaardiging richt zich meer tegen criminaliteit op straat dan in de maatschappelijke bovenlaag, meer op toenemend geweld onder jongeren dan op de toenemende maatschappelijke ongelijkheid en het vertoon van rijkdom onder welgestelden, of de handigheid waarmee deze zich nog meer verrijken.

Leefde er in de jaren zestig een collectieve identificatie met de underdog, nu is die met de machtigen en vooral de succesvollen. Het perspectief is niet meer in de eerste plaats hoe mensen te beschermen tegen kwalijke maatschappelijke systemen, maar hoe de samenleving te beschermen tegen gevaarlijke ordeverstorende mensen.

Maar het gaat bij nader inzien eigenlijk niet eens zozeer om de bescherming van de samenleving, maar om de bescherming van individuen tegen last en overlast van anderen. Het perspectief is vooral individueler geworden, en pragmatischer. Waar mensen warm voor lopen zijn niet collectieve zaken als de bevordering van de democratie of de vermindering van de welvaartsverschillen, maar het recht om niet gestoord te worden.

De maatschappelijke verontrusting is groot: je kunt de krant niet opslaan of de discussie gaat over normen en waarden, over fatsoen en onfatsoen, over maatschappelijke verloedering en normvervaging.

Het opzienbarendst vind ik nog de terugkeer van het woord fatsoen, een woord dat ouderwets was geworden en alleen nog maar werd gebruikt in de zin van de burgerlijke `fatsoensrakkerij' waartegen jongeren in de jaren zestig in opstand kwamen. Als je kijkt hoe het woord nu gebruikt wordt en wie zich beklaagt over wie, dan zijn degenen die bestraffend worden toegesproken niet meer degenen die de orde angstvallig en rigide bewaken, maar de mensen die niet het vereiste `respect' tonen tegenover anderen en die de regels overtreden waar ouderen en maatschappelijk hogeren aan gehecht zijn. De `fatsoensrakkers' van weleer heten nu weer verontruste burgers.

Maar de essentiële vraag hierbij blijft natuurlijk altijd welke verstoringen een samenleving kan verdragen, en welke haar ontwrichten; of wat vernieuwend is en wat destructief. Dat is deels een kwestie van positie en perspectief, die veranderen met de verschuiving van generaties.

Hierbij klinkt Milikowski's goede oude sociaal bewogen ergernis over het aanstootgevend gedrag der rijken met hun pronkzucht en inhaligheid als een liedje uit vervlogen tijden, waar ik toch gehechter aan blijk dan aan dat energieke geduw naar de top: de melodie van vandaag.