Niet in het straatje

Wat doet een onderzoeker als zijn geldschieter hem nadrukkelijk vraagt de gevonden resultaten te verzwijgen of op te poetsen? Geeft hij mopperend mee, of houdt hij vast aan zijn vondst? Prof.dr. A. Köbben en drs. H. Tromp verzamelden 37 casussen. Hun boek `De onwelkome boodschap' verschijnt maandag.

DRIE JAAR geleden deed antropoloog prof.dr. André Köbben in deze bijlage verslag van een conflict tussen het Leids Instituut voor Sociaal-Wetenschappelijk Onderzoek (LISWO) en het ministerie van Onderwijs & Wetenschappen. Twistpunt was een LISWO-onderzoek naar ziekteverzuim in het onderwijs, waaruit bleek dat het verzuimpercentage in het schooljaar 1993/94 flink was gestegen. Een tegenvaller, want op basis van deze cijfers zou het ministerie zo'n 70 miljoen gulden extra in een ziektevervangingsfonds moeten storten. Ambtenaren van O&W zetten het LISWO onder druk om het percentage naar beneden aan te passen. Toen de onderzoekers dit weigerden, stelde het ministerie dat eigen cijfers aantoonden dat de LISWO-studie niet kon deugen. Die analyses wilde O&W echter niet overleggen aan het LISWO, en ook de Tweede Kamer kreeg ze niet. De partijen bleven daardoor tegenover elkaar staan en de affaire eindigde ermee dat het ministerie het ziekteverzuimonderzoek bij een ander, veel duurder onderzoeksbureau onderbracht.

Köbben besloot zijn artikel met de opmerking dat hij graag in contact wilde komen met onderzoekers die vergelijkbare ervaringen hadden met pressie van opdrachtgevers. Die oproep leverde zoveel interessante reacties op dat een veel grondiger bestudering van dit verschijnsel de moeite waard leek. De emeritus hoogleraar heeft daar nu met zijn oud-LISWO-collega drs. Henk Tromp een boek over geschreven, `De onwelkome boodschap of: Hoe de vrijheid van wetenschap bedreigd wordt'. Het eerste exemplaar zullen ze aanstaande maandag overhandigen aan de president van de KNAW, prof.dr.ir. P.J. Zandbergen.

Het boek bevat 37 casussen van onderzoekers die ondervonden dat hun onderzoeksresultaten niet in het straatje pasten van de externe opdrachtgever of van de organisatie waar ze zelf werken. ``We hadden nog 35 praktijkgevallen kunnen opnemen, maar dat was dan meer van hetzelfde geworden. Het ging ons om het in kaart brengen van de patronen en de machtsmiddelen waarmee men wetenschappers monddood probeert te maken', zegt Köbben. ``Wij beschrijven vooral pógingen, omdat die vaak goed gedocumenteerd zijn, en niet de gevallen waarin een onderzoeker daadwerkelijk voor de druk gezwicht is.'

Hoe vaak opdrachtgevers de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek proberen te sturen, is volgens hen onmogelijk vast te stellen. ``We hebben met opzet geen representatieve steekproef gehouden onder collega's, omdat de percentages die je dan vindt geen enkele betekenis hebben. Maar wij hebben goede redenen om aan te nemen dat de door ons beschreven gevallen het topje van de ijsberg zijn', zegt Tromp, die twintig jaar geleden met Michel Korzec al eens verwant onderzoek deed naar wetenschappelijk bedrog, zoals fraude en plagiaat.

Ontoelaatbare druk van opdrachtgevers en superieuren is een onderwerp waar collega's wel over willen praten in de beslotenheid van borrels en recepties, maar daarbuiten gaat de mond op slot. Onderzoekers die wel opening van zaken wilden geven, bleken vaak toch huiverig voor de gevolgen en wilden niet herkenbaar voorkomen in het boek. En daar waren ook wetenschappers bij van wie je zou denken dat ze daar niet bang voor hoeven te zijn op grond van hun positie en prestige, vertelt Tromp. Fraai vonden ze het niet dat ze hun bronnen soms anoniem moesten opvoeren. Want, zegt Köbben, ``wetenschappelijk onderzoek hoort controleerbaar te zijn voor anderen.'

Het tweetal wijst de veronderstelling van de hand dat vooral sociale wetenschappers met dit soort pressie te maken krijgen, omdat die zich immers vaak bezighouden met onderwerpen die politiek gevoelig liggen. ``Het is een centraal probleem in de héle wetenschap. De verhalen in ons boek laten zien dat ook een bioloog, kernfysicus of enzymoloog soms zulke gevechten moet aangaan', zegt Köbben stellig.

Köbben en Tromp geloven niet dat universitaire onderzoekers veel principiëler zijn bij het verdedigen van een boodschap die slecht valt bij de opdrachtgever. Er zijn volgens hen slechts graduele verschillen tussen de opstelling van universiteiten en commerciële onderzoeksbureaus. De universiteit is geen vrijplaats voor de wetenschap meer, zeker niet nu het marktdenken daar op grote schaal zijn intrede heeft gedaan. Köbben: ``In de contracten die universiteiten sluiten met opdrachtgevers staan wel mooie bepalingen over het recht op publicatie, maar als puntje-bij-paaltje komt kiezen de onderzoekers vaak eieren voor hun geld omdat ze hun vervolgonderzoek niet willen mislopen.'

De meeste onderzoekers zullen hun onderzoek weliswaar niet zo maar aanpassen om de opdrachtgever te gerieven, maar ze zijn vaak wel bereid tot compromissen die hun zelfrespect niet al te zeer aantasten. De ongewenste conclusie verhuist dan bijvoorbeeld naar een bijlage. Of de conclusie blijft wel in het rapport staan, maar komt niet in de samenvatting. De wetenschapper kan dan volhouden dat hij zijn resultaten volledig gepubliceerd heeft, maar de ambtenaar is ook tevreden, want in de samenvatting die de minister en de topambtenaren onder ogen krijgen, staat geen onvertogen woord, legt Tromp uit.

Commerciële onderzoeksbureaus willen nog wel eens het argument hanteren dat ze zichzelf uit de markt zouden prijzen als ze hun hoofd te veel naar de wensen van de opdrachtgever laten hangen. ``Een vermakelijk argument', zegt Köbben. ``Want er kraait geen haan naar als de opdrachtgever tevreden is en buitenstaanders onvoldoende informatie hebben. Medewerkers van commerciële bureaus schrijven ook vrijwel nooit aparte publicaties over hun onderzoek voor vakbladen. Dat verhindert al helemaal dat hun werk ooit ter discussie kan komen te staan.'

Dat de moraal van universiteiten en commerciële bureaus elkaar niet al te veel hoeft te ontlopen, hadden Köbben en Tromp graag uitgebreid geïllustreerd met een casus waarbij onderzoekers van een universiteit, een commercieel bureau en een non-profit organisatie eendrachtig een onwelkome boodschap inslikten. De gesloten contracten boden de mogelijkheid om ook zonder toestemming van het organisatiebestuur te publiceren, maar toen een van deze bestuurders waarschuwde dat publicatie in welke vorm dan ook onacceptabel was (Niet in Nederland, niet in de EG, niet in de wereld, niet in het heelal), durfden de onderzoekers hun poot niet stijf te houden, uit angst voor het verlies van vervolgopdrachten. We hebben het hier over een onderzoek van jaren. Er was ook een promovendus bij betrokken, die twee jaar voor niks heeft zitten werken. ``Dat was het meest schokkende geval wat wij zijn tegengekomen. Het staat nu in zeer uitgeklede en verhullende vorm in het boek, omdat de gedupeerde onderzoekers op het laatste moment toch te bang waren voor mogelijke consequenties', zegt Tromp.

VANGSTBELEID

Een van de zaken die Tromp en Köbben wel minutieus konden behandelen is het conflict tussen visserij-bioloog Ad Corten en zijn werkgever het Rijksinstituut voor Visserij Onderzoek (RIVO). Corten voorzag in 1993 dat een voorgenomen aanpassing van het Nederlandse vangstbeleid rampzalige gevolgen zou hebben voor de visstand. Hij wilde dit samen met collega's van het RIVO aankaarten bij het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, maar ze werden het niet eens over de te volgen tactiek. Zijn collega's wilden de goede verstandhouding tussen het RIVO en het ministerie vooral niet in gevaar brengen. Corten besloot toen op persoonlijke titel een artikel te schrijven in het blad Visserijnieuws, maar dit bracht hem in conflict met zijn superieuren en uiteindelijk ook met zijn naaste collega's. De RIVO-leiding plaatste hem over naar de afdeling zoetwatervisserij, een terrein waarop zijn expertise helemaal niet lag. Uiteindelijk werd Corten uitgeleend aan een niet-ambtelijke organisatie. Hij stapte naar de rechter, maar deze oordeelde dat het een ambtenaar werkzaam in een hiërarchieke organisatie als het RIVO, niet vrij staat in beleidsgevoelige kwesties zijn afwijkende standpunten uit te dragen.

Een verontrustend vonnis, vinden Köbben en Tromp, omdat de rechter zich beriep op Artikel 125a van de Ambtenarenwet, dat ambtenaren verbiedt om hun gedachten en gevoelens te openbaren als dat schadelijk is voor de goede vervulling van de functie. Dat artikel is bedoeld om bijvoorbeeld een ambtenaar te kunnen aanpakken die geheimen verklapt aan de buitenwacht. Maar Cortens artikel in Visserijnieuws bevatte geen geheimen, het was een wetenschappelijk onderbouwde beschouwing. ``Je zou zelfs kunnen stellen dat het als onderzoeker zijn plicht was om te waarschuwen voor mogelijke fatale gevolgen van het nieuwe beleid', zegt Köbben. De beide antropologen zouden het dan ook een goede zaak vinden als dit vonnis binnenkort in hoger beroep zal worden vernietigd.

Maar Köbben en Tromp willen vooral niet de indruk wekken dat zij partij kiezen voor Corten. Het interessante van dit soort casussen vinden ze juist dat er nooit één partij voor de volle 100 procent gelijk heeft. Ook de overwegingen van de tegenstanders zijn vaak op zichzelf respectabel. De collega's van Corten richtten zich meer op waarden als collegialiteit en loyaliteit, terwijl hijzelf een Galileïsche geesteshouding had en voor alles de waarheid wilde uitdragen. Dat botste onvermijdelijk en leidde tot een scheiding van geesten, verklaart Köbben.

Wat Köbben vooral getroffen heeft bij zijn onderzoek voor dit boek is de eenzaamheid van wetenschappers die in dit soort situaties verzeild raken. Ze weten niet tot wie ze zich moeten wenden. ``Ik heb Corten gevraagd of hij niet overwogen heeft om naar zijn beroepsvereniging te gaan, maar dat is echt nooit in zijn hoofd opgekomen. De Dierkundige Vereniging had hem natuurlijk ook helemaal niet kunnen helpen bij gebrek aan kennis van zaken.'

Een advocaat om hulp vragen is ook geen voor de hand liggende stap voor de meeste wetenschappers. De kernfysicus Kees Andriesse probeerde zo lang mogelijk op eigen kracht in het reine te komen met zijn werkgever KEMA, die bezwaar had tegen Andriesses publicaties over de gevaren van kerncentrales. Toen een kennis hem adviseerde niet zelf een brief te schrijven aan de directie, maar dat over te laten aan een advocaat, reageerde hij: ``Maar ik kan toch geen advocaat afsturen op mensen met wie ik op je-en-jij-voet sta?'

En op de steun van het College van Bestuur kunnen universitaire onderzoekers ook niet altijd rekenen. Het frappantste voorbeeld dat Köbben en Tromp daarvan geven is de jarenlange strijd tussen de Wageningse enzymoloog Cees Veeger en de firma Enzypharm over het geneesmiddel Vasolastine. Veegers analyse wees uit dat dit product in het geheel geen enzymen bevatte, zoals de producent beweerde, en dat de werkzaamheid ervan, zo die al bestond, daar dus ook niet aan viel toe te schrijven. Enzypharm eiste dat Veeger zijn conclusies zou herroepen, en tot zijn verbijstering steunde het Wageningse College van Bestuur die eis en distantieerde zich van hem, uit vrees dat de Landbouwhogeschool anders mogelijk moest opdraaien voor schadeclaims, die in de miljoenen zouden gaan lopen, zo dreigde Enzypharm.

STEEKPENNINGEN

Toen de Duitse tak van Enzypharm Veeger in 1977 aanbood een bedrag van 750.000 Zwitserse Frank op een Zwitserse rekening te storten, adviseerde het College van Bestuur hem deze steekpenningen te accepteren en het rapport te herroepen. Veeger was niet bereid zijn bevindingen in te trekken, maar moest mede door de angstige houding van de bestuurders met lede ogen aanzien dat de Enzypharm-lobby zijn analyse toch met succes verdacht wist te maken. Vasolastine is daardoor nog steeds op de markt in Nederland. ``Gezien deze ervaringen is het begrijpelijk dat Veeger ook twintig jaar later nog zeer emotioneel kan worden over deze zaak', zegt Köbben. Bovengenoemde voorbeelden maken volgens Köbben en Tromp duidelijk dat onderzoekers behoefte hebben aan een aanspreekpunt waar ze hun hart kunnen uitstorten en gedegen advies kunnen krijgen: een Vertrouwenspersoon voor de Wetenschap. Die figuur moet zich niet gedragen als een engel der wrake, maar normatief houvast bieden aan onderzoekers en instellingen. Deze vertrouwenspersoon zou ook voorstellen kunnen doen voor de beslechting van geschillen.

Ze denken aan een persoon met groot wetenschappelijk en moreel gezag, die in dienst moet komen van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). Dat ligt ook voor de hand omdat de KNAW zich eerder al sterk heeft gemaakt voor het voorkomen en aanpakken van vormen van wangedrag van wetenschappers, zoals plagiaat en fraude met onderzoeksresultaten. De Vertrouwenspersoon voor de Wetenschap zou ook betrokken kunnen worden bij de afhandeling van dat soort affaires, denken Köbben en Tromp. Tromp: ``Wetenschappelijk Nederland kan niet gerust gaan slapen nadat wij deze misstanden hebben opgespoord, dus men mag best wat geld overhebben voor de bestrijding daarvan. Want pogingen om de discussie over uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek te beperken tot een heel kleine kring, die op basis van machtsargumenten beslist of er gepubliceerd wordt, is een bedreiging voor de wetenschap. Open discussie is juist essentieel voor de voortgang van de wetenschap.'

`De onwelkome boodschap of: Hoe de vrijheid van de wetenschap bedreigd wordt'. Door prof.dr. A. Köbben en drs. H. Tromp. Uitgeverij Jan Mets. Prijs: ƒ29,90.

ISBN 9053302646.