Medeleven

Moet je de dood meenemen naar het podium?

Na zijn zestiende toernooizege in Londen zei Richard Krajicek: ,,Ik draag mijn zege op aan mijn vorige week overleden vriend Menno Oosting.''

Een dag eerder zei de winnaar van de Omloop Het Volk in Gent: ,,Ik heb gewonnen voor mijn vorige week overleden neefje. De bloemen zijn voor hem.''

Richard Krajicek en Frank Vandenbroucke zullen het wel goed bedoeld hebben, maar zou ik blij zijn als ik, dood zijnde, aan de voeten van de winnaar op het podium had gelegen? Ja, als ik zelf in extra time nog een keer had mogen smashen en trappen – niet als nagedachtenis.

De dood van een vriend als doping. Bij wielrennen kan ik mij daar nog iets bij voorstellen. Met een slepend wiel de afzink naar Ronse nemen, is op zichzelf reeds een kleine doodservaring. Als het ravijn wenkt, komt de gedachte aan degenen die er niet meer zijn eerder bij je op dan wanneer je onder een schitterende zon mag opkijken naar het hoedenfestival van Wimbledon. Want je weet, als de spaken breken en de tube helemaal leegloopt is het afgelopen, over, uit. Dat is op zijn minst sterven in de koers.

Met de dood in het achterhoofd zou ik mij, hobbelend over de modderige kasseistroken van de Oude Kwaremont, het Vossehol en de Bosberg, in regen, natte sneeuw en gure wind, ook de vraag stellen: Moeder, waarom leven wij? Daarom begrijp ik wel dat de meeste – ook seculiere – renners voor de aanvang van de etappe een kruis slaan. Wielrennen is een oefening in sterven.

Maar die setjes voor de skyboxen van een indoor tennistoernooi zijn zo anti-dood. Het volkje dat daar samengeplakt zit – inclusief de tennissers – vloeit van weelde en leven, van macht en status en dus van onsterfelijkheid. De gedachte aan de dood is er even ver weg als champagne in een varkenstrog.

Vroeger stonden sporters vrolijk in het leven. Ze scoorden, reden en vlogen voor hun moeder, voor een toevallige blondine of voor het vaderland. Joop Zoetemelk heeft in zijn gloriejaren niet één seconde aan de dood gedacht. Niet aan die van hem en niet aan die van anderen. Hij ging er gewoon van uit dat de dood zich wel met hem bezig zou houden, als het zo ver was. De betere kermiscoureurs zouden hun ruiker nooit naar een grafzerk hebben gebracht. Bijgelovig als ze waren, vreesden ze dat na zo'n dodengang de vorm weg was. Renners waren toen nog mannen van de ruwe schors: je beult je af voor je naaste, voor de tweeling die op komst is, voor de toekomst. Doden herdenk je thuis, zonder zweetbandje.

Topsporters van tegenwoordig zijn zo verbankkluisd en geïsoleerd dat ze de adem van het volk niet meer in de nek voelen. Het is een leegte die bang maakt. Want uiteindelijk willen ze allemaal publiekslieveling zijn. Alleen, ze weten niet meer hoe. Dan krijg je van die ingestudeerde zinnetjes als: ik heb gewonnen voor mijn overleden neefje.

De hulde van Krajicek en Vandenbroucke aan hun overleden vrienden is vooral een wanhopige schreeuw om toch maar binnen de menselijke maat te blijven. Om als vedette binnen de dampkring van het volk te kunnen staan. Het voelt aan als instrumenteel verdriet.

Pete Sampras heeft eens een hele grandslam jankend op de baan gestaan. Zijn coach was ernstig ziek en de ballen vlogen hem als atomen van de dood om de oren. Sampras speelde de wedstrijd op routine uit en won. De tennisbaan als ode aan een stervende? Ik kan deze heroïek niet bevatten. Wie echt verdriet heeft, gaat een balletje tegen een blinde muur slaan, niet voor het oog van duizenden zelfbenoemde mannequins.

Ronaldo die nu weer de zegen van de paus over zijn knie afsmeekt, zou het pure wanhoop zijn? Of zit ook hier het effectbejag achter van de supervedette die zijn gelovige aanhang even wil vertederen met een demonstratief gebaar van machteloosheid en kwetsbaarheid? Misschien is die knie wel in een klap genezen als hij de paus een schop geeft. Maar dat past dan weer niet bij het image van Nike.

Medeleven is zelden geschikt voor publiek vertoon. Daarom Richard: win het volgend toernooi maar voor Daphne. Stilletjes huilen om Menno kan altijd – in een hoekje. En als ik jou was, zou ik die cheque van 250.000 gulden naar mevrouw Oosting sturen.