Israel is lang niet zo bijzonder meer

Tijdens de Bijlmerenquête heeft Israel de kritiek op El Al als antisemitisme betiteld. Thomas H. von der Dunk vindt dat dit riekt naar morele chantage, die te herleiden is op Nederlandse schuldgevoelens over de deportatie van joodse landgenoten. Het Westen moet zich hier echter niets van aantrekken, want het meten van Israel met twee maten gaat ten koste van zijn geloofwaardigheid in de Arabische wereld.

De Boeing van de Israelische luchtvaartmaatschappij El Al, die op 4 oktober 1992 boven Amsterdam neerstortte, blijkt een gevoelige politieke zenuw te hebben geraakt. De `bijzondere' relatie tussen Nederland en Israel is daarbij in het middelpunt van de belangstelling komen te staan. De enquête, waartoe het nu, zes jaar te laat, eindelijk gekomen is, heeft daarbij aanleiding gegeven tot wilde beschuldigingen vanuit Jeruzalem dat Nederland het antisemitisme bevordert.

Allereerst stelt men daarmee joden en Israeliërs op een wijze aan elkaar gelijk, die door vele geëmancipeerde joden buiten het Midden–Oosten, die zich allereerst Europeaan of Amerikaan voelen, niet geapprecieerd zal worden, omdat voor hen hun joodse identiteit beslist niet samenvalt met die van één bepaalde staat. Dit temeer, omdat de voortschrijdende theocratisering van de Israelische samenleving de afstand tot de seculiere Westerse joden, wier betekenis de afgelopen eeuwen vooral in een onmisbare bijdrage aan de Europese cultuur was gelegen, gaandeweg heeft vergroot, en, gezien de grootscheepse immigratie uit andere werelddelen en de grootschalige voortplanting van orthodoxe joden ter plaatse, ook steeds verder zal vergroten.

Het lijkt daarbij met name in het belang van Israel zélf, om onderscheid te maken tussen het inderdaad virulente antisemitisme zoals dat nu in Rusland weer bij de nationaal–communistische partij een spreekbuis vindt, en de stevige kanttekeningen die elders terecht bij de politiek – of veeleer het gebrek daaraan – van de regering in Jeruzalem worden geplaatst. Wil men de indruk vermijden, dat men even paranoïde is als de machthebbers in Bagdad of Belgrado, die het voortdurend doen voorkomen alsof de hele wereld tegen hen samenzweert, dan doet de Israelische regering er verstandig aan, haar toon wat te temperen. Want in zoverre er ingevolge de Bijlmer–enquête kritiek is losgekomen, heeft men het er daar zelf wel naar gemaakt. Het soort onverschilligheid, waarmee steeds elk verzoek om informatie was afgewimpeld, het aanvankelijke volstrekte gebrek aan medewerking met een beroep op de staatsveiligheid, wekt nu eenmaal altijd het vermoeden dat men wat te verbergen heeft.

Het moge daarbij uiteraard duidelijk zijn, dat deze houding niet een Israelische specialiteit is. Zij staat in het geval van El Al model voor de arrogantie van elke grote onderneming, die zich haar winstperspectieven niet wenst te laten ontnemen door zich om haar slachtoffers te bekommeren, zich op grond van haar economische en strategische belangen door een welwillende overheid beschermd weet, en daarmee boven de wet meent te staan. Dat laatste blijkt dan ook inderdaad vaak het geval, zoals de Haagse gedoogpolitiek ten opzichte van de geluidsterreur van een grote luchthaven in het westen des lands menig ingezetene van Noord–Holland dagelijks leert.

De houding van de Nederlandse overheid na de beruchte crash bleek weinig beter, en ook dat is niet voor het eerst. Het kabinet toonde zich niet erg happig om een diepgaand onderzoek naar mogelijk ambtelijk falen te verrichten; de gezondheidsklachten van de Bijlmerbewoners werden stelselmatig als overdreven en onbewezen afgewimpeld; met lading noch vliegtuig was iets aan de hand, er was geen El Al–medewerker die avond ter plekke geweest, en wie witte pakken zag, zag witte spoken. Geen van de ministers deed werkelijk veel moeite deze te vinden, en bij hun ondergeschikten streden brave volgzaamheid en de behoefte om het eigen straatje schoon te houden om de voorrang. Dit geringe zelfreinigende vermogen van de Nederlandse overheidsbureaucratie gaat gepaard met een ongezonde belangenverstrengeling van publieke staat en particulier bedrijfsleven, die zich in een vergaande ambtelijke dienstbaarheid aan commerciële doeleinden vertaalt. De Oud–pruisische Untertanengeist, die op die bewuste avond speciaal over de verkeersleiding op Schiphol vaardig blijkt te zijn geworden, maakt daarbij duidelijk dat onze ambtenarij kennelijk zo is geïnstrueerd dat dienstvoorschriften plus vrees voor geknakte carrières het op beslissende momenten van morele plichten winnen. Een volk van helden zijn wij niet.

Het is verbluffend hoeveel nu al door de enquêtecommissie aan wanfunctioneren is gereconstrueerd, en hoezeer daarmee ook vooral alle eerdere interne `onderzoeken' van regeringswege als oppervlakkig en halfslachtig zijn ontmaskerd. Een dergelijke oppervlakkigheid zagen wij niet voor het eerst. Hopelijk weet dan ook eindelijk de hele Kamer de moed te vinden om tot een parlementair onderzoek naar de val van Srebrenica te besluiten, en daarmee niet achter de veilige rug van Oorlogsdocumentatie te wachten tot de laatste betrokken bewindslieden zijn verjaard opdat de paarse coalitie kan worden gespaard. Net als in het geval van de Bijlmer worden immers ook in dat van Bosnië nog heel wat cruciale beeld –en geluidsopnames node gemist. De onmiddellijke vervanging van defensievoorlichter Bert Kreemers nadat hij dit in deze krant had aangekaart, maakt duidelijk dat men nog steeds verkrampt op elke drang tot opheldering reageert, van de gebeurtenissen weinig heeft geleerd, en De Grave net als zijn voorganger moed en gezag om eindelijk eens de onderste film boven te halen, kennelijk ontbeert.

In dit licht riekt de poging van de Israelische regering, om de kritiek op El Al met een verwijzing naar de Tweede Wereldoorlog als antisemitisme te betitelen, naar morele chantage. Dat zij die poging doet, valt uit politiek oogpunt natuurlijk best te begrijpen. Lang was men speciaal in Nederland voor een verwijt van deze aard zeer gevoelig, vanwege de schuldgevoelens over de deportatie van ruim honderdduizend joodse landgenoten met medewerking van onze ook toen al zo voorschriftsgetrouw opererende ambtenarij. Daarom stond men na 1945 pal achter David Ben Gurion. De belaging van diens jonge, kleine Israelische staat door de boze Arabische buren in de eerste naoorlogse decennia deed in een land als het onze, dat vrijwel altijd automatisch partij voor de underdog kiest, vervolgens de rest.

Een halve eeuw na dato raakt een dergelijke argumentatie echter uitgewerkt. De komende generaties zullen zich niet langer meer op deze wijze de wet laten voorschrijven, en hoe verder de tijd voortschrijdt, hoe meer de positie van Israel zich in Europese ogen zal normaliseren tot die van wat het, mede dank zij zijn veranderende bevolkingssamenstelling, ook feitelijk steeds meer geworden is: een land in het Midden–Oosten dat steeds meer de karaktertrekken van een land in het Midden–Oosten draagt. Daarmee zal ook, naarmate de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog bij het nageslacht zal vervagen, de claim op een speciale behandeling steeds minder gehoor vinden. Israel zou er verstandig aan doen zich op die onvermijdelijkheid in te stellen. Dit geldt ook voor de voorrechten die El Al zou genieten, en de rol die Schiphol mogelijk als doorvoerhaven van militair materieel vanuit de Verenigde Staten naar Israel bezit. Natuurlijk valt het bestaan van een dergelijke `status aparte' op zich niet Israel aan te rekenen; zij werd of wordt aan haar door ket kabinet geboden. Maar er mogen daarvoor in vroeger decennia, in het licht van de Arabische dreiging, misschien ook argumenten hebben bestaan, nu wij daarover genuanceerder zijn gaan denken, is er alle reden om deze status te herzien.

De hoge toon die naar aanleiding van de Bijlmerenquête door Israel is aangeslagen, misstaat in elk geval een regering, wier bijdrage aan het vredesproces in het Midden–Oosten sinds de moord op Rabin minimaal is geweest, omdat zij niet in staat is gebleken onderscheid te maken tussen haar - volstrekt legitieme - veiligheidsbelangen en een vorm van gedeeltelijk godsdienstig gestoorde grootheidswaanzin. In haar onvermogen om te accepteren dat tussen Dode Zee en Rode Zee nu eenmaal twee semitische volkeren leven en op de Tempelberg drie wereldgodsdiensten hun wortels hebben, heeft zij zich blijkens haar nederzettingenpolitiek laten gijzelen door een kleine minderheid van kolonisten en fundamentalisten, die bereid zijn om elke kans op verzoening op te blazen omwille van het vermeende eigen religieuze gelijk.

Dat ook aan gene zijde van de scheidslijn, in Palestina, haat en fanatisme welig tieren, en bovendien Arafats handen in het verleden met bloed bevlekt zijn geraakt, doet daar niets aan af. Wat het eerste betreft zijn het opnieuw de extremen die elkaar versterken, en wat het tweede aangaat is het zinnig om te bedenken, dat ook de totstandkoming van Israel in 1948 niet met het gebedsboek in de hand alléén is bereikt. In een situatie waarin een heel volk gedurende lange tijd haar rechten met voeten getreden ziet, zal elke vrijheidsstrijd vrijwel onvermijdelijk met terreurdaden gepaard gaan wanneer men met minder door de internationale gemeenschap niet wordt gehoord. Zowel de Kosovaren als de Koerden hebben met reden die conclusie getrokken, en houden zo Europa weer even bij de les. Het ware derhalve wenselijk, dat de nieuwe Israelische regering na de verkiezingen van 17 mei op haar nationaliteitenproblematiek niet even obstinaat en oliedom zal reageren als die in Ankara, waar men schijnt te menen dat met de arrestatie van Öcalan de zaak is opgelost.

Dit is daarom van belang, omdat het Westen het zich niet kan veroorloven, om nog langer met het lemmingengedrag van de huidige Israelische regering akkoord te gaan. Het is in dat opzicht verbazingwekkend, hoe volslagen blind men in het Westen nog is voor de uitwerking die dit op de moslims in de buurlanden heeft. De verhouding met de Arabische wereld vormt één van de grootste vraagstukken van de volgende eeuw. Instabiliteit in het Midden–Oosten heeft, ondanks alle modieuze praat over globalisering, veel directer invloed op Europa dan onrust in pakweg Zuid–Amerika.

Wij kunnen ons niet veroorloven dat aan de overzijde van de Middellandse Zee chaos ontstaat. Voor de stroom vluchtelingen en immigranten die een dergelijke chaos onvermijdelijk teweeg zal brengen, is de Straat van Gibraltar echt niet te breed. Het contrast tussen de armoede aan gene, en de rijkdom aan deze zijde van de zee doen dan de rest, temeer daar dit contrast de mensen ginds door middel van horden zomerse touristen ook voortdurend is ingeprent. In Italië, Spanje en Zuid-Frankrijk wordt men al met de gevolgen geconfronteerd. En daar tegen helpen ook echt geen asielzoekersquota en quarantainebarakken, of wat men verder rond het Binnenhof zoal nog aan instroombeperkende maatregelen zal weten te verzinnen. De combinatie van overbevolking en economische schaarste, gepaard aan politieke onderontwikkeling, vormt een explosief mengsel, dat des te explosiever wordt, als het Westen zo weinig rekening blijft houden met de Arabische perceptie van de politieke verhoudingen - ook zonder daarmee direct geheel in te stemmen.

Het feit dat Israel bij voortduring gesloten overeenkomsten en resoluties van de Veiligheidsraad aan zijn laars kan lappen, terwijl Irak voor elke overtreding met vrij zinloze bombardementen wordt bestraft, kan bij een groot deel van de islamitische bevolking tot geen andere conclusie leiden dan dat het Westen met twee maten meet. Want ook al is Israel natuurlijk geen Irak, en Netanyahu niet een massamoordenaar als Saddam Hussein, en ook al kan men deze – met name Amerikaanse – politiek niet als één groot Westerse anti–islamitisch complot zien, het feit dat steeds grotere groepen moslims wel daartoe neigen, vormt een factor waar wij niet omheen kunnen.

Wij hebben de afgelopen jaren vanuit hun gezichtspunt te vaak de foute partij gekozen. Zo in Bosnië, waar de zeer Europese moslims het slachtoffer werden van de aarzeling in Brussel om MiloševiÄc de wacht aan te zeggen, en zij, omdat zij vervolgens uit zelfverdediging de militaire steun die Iran wél bood te aanvaarden, voor even onhandelbare extremisten als de Serviërs werden uitgemaakt. Maar als je niet de vrienden krijgt die je wilt, dan wil je de vrienden die je krijgt. Zo ook in de Golfoorlog, waar men eerst de Irakezen opriep tegen hun dictator in opstand te komen, maar hen vervolgens als een baksteen liet vallen. Bovendien beloofde men, om de bevrijding van Koeweit als een nobele `democratische' daad af te schilderen, de sheiks van de archaïsche golfstaatjes maatschappelijke hervormingen op te zullen dringen, waarvan, omwille van de goedkope olie, vervolgens eveneens nooit meer werd gehoord. Niet voor niets waren de richting Israel overvliegende skudraketten van Saddam Hussein in Jordanië in 1991 zo populair dat koning Hussein zich gedwongen zag om min of meer partij voor Bagdad te kiezen ten einde een omwenteling in Amman te voorkomen.

Juist de laksheid van Amerikaanse zijde ten aanzien van de noodzaak om de Israelische regering tot concessies te dwingen, gaf koning Hussein, wiens onderdanen voor meer dan de helft immers uit Palestijnen bestaan, wel bijzonder weinig in de hand om zijn pro–Westerse oriëntatie vol te kunnen houden. En zoveel geschikte medestanders heeft het Westen in het oosten niet. Het aantal enigermate fatsoenlijke staten is beperkt. We hebben de keuze tussen de Middeleeuwen van Iran en de moordenaars van Irak, tussen het feodale Arabië en het bloederige Algerije. De weinige min of meer verlichte autocratieën, als Egypte, Jordanië en Libanon, uitgerekend de buurlanden van Israel, laat het Westen ten aanzien van de voor hen als moreel ijkpunt zo cruciale Palestijnse kwestie lelijk in de kou staan. Dit laatste is koren op de molen van alle antimoderne krachten, zoals Mubarak ons inmiddels uitgebreid kan vertellen. Bij voortzetting van deze kortzichtige politiek krijgt naast het Westen ook Israel uiteindelijk de rekening gepresenteerd. Het is voor haar Vrede Nu of Hamas later.

Thomas H. von der Dunk is cultuurhistoricus.