Geleerde sterren

WETENSCHAPPERS hebben een weinig hoge dunk van de media. Uit wanbegrip zouden die hun werk misvormd weergeven, op sensatie belust zijn en het slechte benadrukken. Volgens Michael Crichton, auteur van Jurassic Park en co-producer van Sphere, is juist het omgekeerde het geval: wetenschappers snappen de media niet. Op de jaarbijeenkomst van de AAAS (American Association for the Advancement of Science), eind januari in Anaheim (Californië), ontvouwde hij zijn ideeën in een prikkelende lezing getiteld `Ritual Abuse, Hot Air, and Missed Opportunities: Science Views Media'. Een bewerkte versie staat deze week in Science.

Crichton, die zijn carrière begon als medisch onderzoeker en dus met beide werelden bekend is, benadrukte dat alle beroepen er in de film slecht van afkomen. ``Daar zijn redenen voor. Films zijn er niet om carrières in beeld te brengen, een boeiend leven staat in dienst van een plot.'' Dus zijn advocaten gewetenloos, dokters onverschillig, psychiaters gestoord, politici corrupt en zijn alle zakenlieden schurken. ``Waarom zou je wetenschappers anders behandelen?'' Bovendien, aldus Crichton, heeft film bijzonder weinig met de werkelijkheid uit te staan. ``Vijftig jaar geleden zag je in de film vrouwen met sterke karakters – Crawford, Bette Davis. Terwijl in de maatschappij de rol van de vrouw drastisch veranderde, portretteren films vrouwen sindsdien in hoofdzaak als giechelende idioot of prostituée. Je druk maken over hoe films je weergeven is zinloos.''

EXTRAATJES

De `wetenschappelijke methode' komt er in de film bekaaid van af, klagen onderzoekers. Altijd zijn er extraatjes als seks, geweld en explosies. Nauwkeurigheid is ver te zoeken, de plot is hoogst ongeloofwaardig en steevast wordt er gemikt op de angsten van het publiek. Waarom toch? ``Omdat het een film is'', zegt Crichton. ``Een film kan niet buiten een schurk, buiten dwang, zonder actie gaat het niet. Het publiek is verzot op spannende verhalen, ook al gaan ze wetenschappelijk mank. De maatschappij is afhankelijk van technologie en wetenschap, hun macht wekt aversie op. Daar is niets mis mee. Kritiek en een negatieve houding zijn tekenen van succes. Zie het als een compliment en til er niet te zwaar aan.''

Is negatieve en misvormde beeldvorming in de ogen van Crichton onvermijdelijk, tegelijk raakt de schrijver/producer niet moe te benadrukken dat geen wetenschapper zich daar zorgen over hoeft te maken. ``Als David Letterman de wetenschap in zijn show op de hak neemt, kijken daar 3 miljoen Amerikanen naar. Dat is 1,2 procent van de bevolking. Toont de New York Times zich kritisch? Het artikel komt misschien een procent van de bevolking onder ogen. Aan vijf van de zes Amerikanen gaat Jurassic Park voorbij. Maar 18 procent van de huishoudens heeft een aansluiting op het internet. Geen enkel medium weet de meerderheid van de Amerikanen rechtstreeks te bereiken.''

Daar komt bij, aldus Crichton, dat de massamedia ieder respect verloren hebben en aan invloed zwaar hebben ingeboet. ``Over negatieve beeldvorming en misvormde media-aandacht gesproken: niemand heeft die ondergaan als Bill Clinton. Maar heeft het hem geschaad? Nee dus. Het publiek nam er kennis van, besloot dat er iets mis was met de journalisten en zette het nieuws af. Alle grote zenders zijn geteisterd door schandalen, fraude, ontslagen en financiële moeilijkheden. De media hebben hun macht verloren. Des te meer reden voor de wetenschap zich niet langer zorgen te maken over beeldvorming.''

Wat er volgens Crichton echt toe doet is niet het beeld, maar de werkelijkheid. De wetenschap moet meer vrouwen aantrekken, en dat Silicon Valley buitenlandse software-experts moet aantrekken is een gotspe. Ook kan het belang van goede eerstejaarscolleges niet worden onderschat. Crichton: ``In mijn tijd kreeg ik inleiding biologie en inleiding psychologie van eminente hoogleraren met charisma. Dat is uit de mode geraakt, onterecht en tot schade van ieder vakgebied.''

Wetenschappers zouden er volgens Crichton goed aan doen de media te gebruiken, in plaats van de rol van slachtoffer te vervullen. Er moet een professioneel bureau komen, onder auspiciën van een gerespecteerde organisatie als de AAAS, dat journalisten ter zijde staat. Echte wetenschappers, dus geen voorlichters, moeten, gevraagd naar de gevaren van elektromagnetische straling, diëten tegen kanker of de risico's van borstimplantaten, duidelijke taal spreken. Crichton: ``Besef dat media-optredens geen egotrips zijn maar deel van je werk. En wanneer de onvermijdelijke mediasterren komen bovendrijven: wees zo professioneel ze te respecteren in plaats van op ze neer te zien, zoals Carl Sagan overkwam. En met zijn voorliefde voor striptease-lunches, schelmenstreken en bongo's gaf Richard Feynman, die ook aan kritiek bloot stond, de natuurkunde een menselijk gezicht.'' Als het gaat om de houding tot de pers heeft de wetenschap veel in te halen, aldus Crichton. ``Men volhardt in zijn dédain. Een beroerd interview-optreden is vooral iets om trots op te zijn, het zegt dat je intellectueel bona fide bent. Je staat boven het gekrakeel. Maar intussen is de wereld veranderd en de wetenschap heeft daarvan te lijden. De man in de straat weet met gemak een handvol zakenmensen of sporthelden te noemen, maar gevraagd naar wetenschappers staat hij met een mond vol tanden. Hoogstens Stephen Hawking, vanwege zijn dramatische ziekte. Hier is iets grondig mis.''

Via films of tv-shows valt echte wetenschap niet aan de man te brengen, vatte Crichton zijn boodschap samen. ``Dat lukt alleen door een stel gevatte, charismatische wetenschappers naar voren te schuiven, ten behoeve van zowel de media als het onderwijs. Het aanleggen van zo'n voorraad geleerde mediasterren mag een kleine revolutie in uw attidudes vereisen, tegelijk heeft u geen keus.''