Geen woorden maar daden

Het wil maar niet boteren tussen de jeugd en de waarden en normen. Als men althans de zorgelijke uitspraken moet geloven van leraren, juristen en politici. En discussies dienaangaande monden altijd uit in de oproep dat er in de opvoeding `meer gedaan moet worden aan' waarden en normen.

Onweerstaanbaar roept dat bij mij associaties op aan de beginzin van een verhaal (van Annie M.G. Schmidt?): ,,Koning Boemibol zat op zijn troon te regeren.'' Terwijl het bij dit werkwoord uiteraard gaat om een omvattend begrip van een abstracte en hoger orde dan de concrete handelingen die er uit voortvloeien. Zeer effectief voor een komische vertelling. Maar als iets dergelijks gebeurt in serieus bedoelde discussies over waarden en normen is het effect alleen maar een zinloze uitwisseling van hoogdravendheid.

`Waarden' is een abstract verzamelbegrip, waarbij het gaat om ideeënpatronen die een norm stellen aan gedrag. Zo ligt ongeveer de begrippenhiërarchie.

Wie kinderen bij het opgroeien waarden en normen wil bijbrengen zal echter heel concreet en banaal onderaan, bij het gedrag, moeten beginnen.

Dat dat voor lang niet iedereen vanzelfsprekend is bleek me onlangs bij een discussie over morele opvoeding op school, waarbij een van de sprekers zei dat het helemaal niet ging om gedrag, maar om moreel besef.

Maar besef kan ontwikkelingspsychologisch gezien pas gaan dagen op basis van gedrag. En bovendien is gedrag uiteindelijk toch ook de proof of the pudding.

Men kan een kind geen naastenliefde leren, toch een van de belangrijkste waarden in onze samenleving. Maar als hij twee is kun je hem wel leren dat hij zijn babybroertje niet moet bijten, maar aaien. Kleuters leren cadeautjes te maken voor iemand die jarig is of ziek. Wie zeven is kan begrijpen dat het aardig is om in de tram af en toe voor iemand anders op te staan. In de klas kun je leren dat niet alle kinderen alles even snel begrijpen en dat je niet nukkig moet worden als je bij de snellen hoort.

En op basis van het ervaringspatroon van al die gedragingen die van hem werden verwacht – en niet te vergeten aan hem werden voorgeleefd – heeft een mensenkind het cognitief in zich om op de langere duur tot het besef te komen dat daar een gemeenschappelijke ideeënwereld achter schuilt. Maar als ouders en leerkrachten gaan sjoemelen en zwalken met dat concrete gedragsniveau, komt er van ontluikend normbesef weinig terecht. Zo simpel is dat. Fraai redeneren over waarden en normen blijft dan in het luchtledige hangen. Een vader die graag praat over eerlijkheid, maar wel zijn autoasbak op straat omkiepert `omdat hier toch niemand dat ziet' kan net zo goed zijn mond houden.

Dit alles wil overigens niet zeggen dat alle mensen uiteindelijk tot eenzelfde normbesef kunnen komen. De theorie, gebaseerd op onderzoek, van Jane Loevinger is in dit verband interessant. Het gaat daarbij over de ontwikkeling van sociaal aangepast gedrag. Aanvankelijk wordt gedrag geheel volgens eigenbelang en impulsief gestuurd. Maar er komt een tijd dat zelfs een peuter al dingen nalaat of juist doet om narigheid – tik op vingers, boze woorden – te voorkomen. Dit is voor sommige ouders het begin van een moeilijke fase, want kinderen zijn in dit opzicht niet gelijk. Er zijn er aan de ene kant die naar hun aard heel gevoelig zijn voor de reacties die het eigen gedrag oproept en die zich makkelijk laten `opvoeden'. Aan de andere kant degenen die naar hun aard juist heel ongezeggelijk zijn. Het ouderlijk `niet doen' wordt wel waargenomen, maar niet opgeborgen. Iets, maar wat, in het neuraal systeem in de hersenen verhindert dat. Bovendien gaat het om kinderen met grote behoefte aan spanning en opwinding. Ze gedragen zich druk, onbeheerst en agressief om aan die behoefte te voldoen. Berisping en straf verhogen de opwinding alleen maar.

De meeste kinderen zitten daar ergens tussenin en met een beetje opvoeding komen ze dan in de `conformistische' fase waarin ze dingen doen en nalaten volgens waarden en normen van de groep, om erbij te horen. En als je nu dus maar zorgt dat ze toch wel graag bij de aardige mensen willen horen, zit dat wel goed. Het zelf kiezen voor waarden en normen komt eigenlijk pas zo rond een jaar of zestien op gang, maar blijft wel hangen binnen het eigen, beperkte gezichtsveld en de eigen denkwereld. Veel mensen komen volgens Jane Loevinger overigens niet verder. Bijvoorbeeld niet tot het besef dat mensen, uitgaande van dezelfde waarden, toch kunnen verschillen in de normen die ze hanteren voor gedrag en dat die gelijkwaardig kunnen zijn aan wat je zelf vindt. Of niet tot het besef komen dat je verantwoordelijk blijft voor je gedrag, ook al heeft het anders uitgepakt dan je, handelend volgens hoge normen, had bedoeld.

Maar geen nood. Juist omdat het uiteindelijk om gedrag gaat, kunnen de verschillende morele niveaus leiden tot hetzelfde effect. Leerlingen kunnen weigeren mee te doen met het pesten van een lerares `omdat je de kans loopt van school getrapt te worden', of – conformistisch – `omdat het lullig staat een vrouw te pesten', of – abstracte overweging – `omdat het een kwestie van menswaardigheid is'.

Dus, indachtig het hernieuwd kampioenschap van Feyenoord: geen woorden maar daden!

Easy To Love (Charles Waters, 1953, VS). Door Busby Berkeley gechoreografeerde waterballetten in Ester Williams-vehikel, gesitueerd in Florida's Cypress Gardens. Belg.1, 15.00-16.31u.