Geen poeha

Twee sterfgevallen beheersten het nieuws. Daar is geen overeenkomst tussen, behalve deze: beide doden hebben deelgenomen aan het openbare leven en zowel het overlijden van Enneüs Heerma, de politicus, als van Karel van het Reve, de letterkundige, bracht ontroering teweeg. `Tenslotte wint de dood, jazeker/ maar de dood is slechts de stilte in de zaal,/ nadat het laatste woord geklonken heeft./ De dood is een ontroering.' (Remco Campert).

De dood van Heerma en van Van het Reve is een tweevoudige publieke ontroering. Het zou onzinnig zijn de twee personages in hun openbare optreden onderling te willen vergelijken, alleen maar omdat het toeval heeft gewild dat zij kort na elkaar overleden. Ieder mens is anders en deze twee waren, zou je zeggen, zelfs lichtjaren van elkaar verwijderd. Wie Van het Reve met drie woorden moet typeren, komt op helderheid, ironie en ongelovigheid. Heerma daarentegen was soms moeilijk te volgen, wars van spotzucht en diep gelovig (de grondslag van zijn christelijk-sociale opstelling in de politiek).

Maar ik heb het over de `publieke ontroering' en dan vermoed ik dat toch een aan beide mannen toegeschreven eigenschap van invloed is: authenticiteit. De afwezigheid van elke vorm van kapsones. Het talent om zich in het openbaar niet gewichtiger of geweldiger te gaan gedragen dan anders. Zij hadden geen poeha.

Karel van het Reve was geen feesttype en waar hij ook zal worden gemist, niet op het Boekenbal van komende dinsdag. Ik voorspel dat de feestelijke opening van de Boekenweek ondanks de dood van de schrijver en winnaar van de P.C. Hooftprijs gewoon doorgaat, hoogstens wat minder uitbundig, maar gedronken zal er worden. Waarom wel een Boekenbal en niet het verkiezingsdebat dat dinsdag jongstleden op het programma stond?

Het debat werd afgelast, omdat CDA-voorman De Hoop Scheffer overmand was door verdriet over de dood van Heerma. Ik treed niet in de oprechtheid van zijn gevoelens – ook Brutus was een achtenswaardig man – maar het wil er bij mij moeilijk in dat de kiezers om deze reden verstoken moesten blijven van een confrontatie, die eerder als wezenlijk voor de politieke meningsvorming werd aangediend.

Het zou anders liggen als een deelnemer aan het verkiezingsdebat door de dood was verhinderd. Dan is het overmacht, maar Heerma nam geen deel meer aan de politiek. Nu was de afgelasting een vorm van uiterlijk rouwvertoon. Daar heb je een zedenverschil tussen politiek en literatuur: in de politiek hoort poeha blijkbaar thuis.

Heerma kreeg tijdens zijn periode als fractievoorzitter van het CDA steeds te horen dat zijn persoonlijkheid tekortschoot: `geen uitstraling', `gebrek aan charisma', `niet bestand tegen de televisiedemocratie', `hoekig'. Daar is geen verweer tegen mogelijk. Hij was nu eenmaal een mannenbroeder, een man van de partij van Schouten, Bruins Slot en Aantjes, niet van de partij van Romme, Schmelzer en De Hoop Scheffer. Het eerbetoon aan zijn uitnemende karakter komt te laat, maar authenticiteit, bestuurlijke integriteit, betrouwbaarheid zouden op den duur door de kiezer wel eens hoger aangeslagen kunnen worden dan in mediatrainingen aangeleerde geliktheid.

De partijleiders die dinsdagavond uit zuivere piëteit met hun overleden oud-collega het zwijgen bewaarden, devalueerden daarmee eigenhandig de verkiezingen voor de Provinciale Staten. Het was toch al een landerige en plichtmatige exercitie. Vervolgens deelden de politieke leiders mee, dat de verkiezingen in hun gezamenlijke optiek werden overschaduwd door de dood van een gerespecteerd voormalig politicus. Zo bevestigden ze dat het nergens over ging. Rosenmöller van GroenLinks zei dat de dood van Heerma `een moment (is) waarop de politiek zichzelf maar eens een beetje moet relativeren'. Woensdag bleek het moment te zijn waarop de meerderheid van het electoraat op haar beurt de politiek een beetje relativeerde.

De zalvende toon van Rosenmöller verwondert me niet meer sinds hij als neo-confessioneel te koop loopt met zijn hervonden geloofsbeleving en spiritualiteit. Nooit heb ik Heerma in een amusementsprogramma horen koketteren met het gebed of met de doop van zijn kinderen, maar Rosenmöller laat het neo-confessionele kiezersvolk via Astrid Joosten in De Show van je leven weten dat hij `die boekjes van Marx en Engels' heeft ingeruild voor de traktaten van bisschop Muskens.

Daar had Karel van het Reve wel raad mee geweten. Van het Reve fileerde alle geloof met hetzelfde venijn. Het geloof der kameraden, ooit door hemzelf aangehangen, maakte hij in scherpzinnig en geestig renegatenproza even bespottelijk als het geloof in een Opperwezen. `Wij ongelovigen kunnen, op zoek naar een stukje Mozart, de radio niet aanzetten of de walm slaat ons tegen van wat om mij volstrekt onbegrijpelijke redenen geen blasfemie schijnt te zijn: de nimmer aflatende stroom van preken en gebeden waarmee de aanhangers van Jezus Christus zich in het openbaar over Hem uitlaten en zich tot Hem richten in termen van het meest walgelijke Byzantinisme en op een gluiperige toon die zijn weerga niet vindt in de geschiedenis der menselijke cultuur. Men moet het betreuren dat hun god niet bestaat, want het kan toch haast niet anders of hij zou iedere zondag verscheidene dezer wauwelaars (katholiek of protestant, dat moet Hem in zijn oneindige oecumenische goedheid om het even zijn) verdelgen met de middelen – prestilentie, hemelvuur etc. – die Hem zo rijkelijk ter beschikking heten te staan.'

Als ik zulk proza van Van het Reve teruglees, of het nu over God of de heilstaat of over halfzacht gewauwel gaat, weet ik waarom zijn dood is wat Campert schreef: `de dood is een ontroering'.