Een basisloon voor de gewone straatjunk

Er zijn in ons land miljoenen mensen die om een of andere reden niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Te jong, te oud, te ziek, te vreemd, te dom of te lui.

Voor de meesten van hen zorgt de overheid. Alleen de jongeren en de luiaards moeten het officieel zelf uitzoeken, maar in de praktijk zijn er voor hen tal van regelingen, zoals de kinderbijslag, de studietoelage en de werkervaringsplaats, die hen in staat stellen het hoofd boven water te houden. Ook onder Paars II hoeft niemand van de honger om te komen, of zich in uitzichtloze schulden te steken. Zelfs mensen die niet kunnen werken omdat zij een artistieke roeping volgen kunnen nog steeds rekenen op de overheid. Zij krijgen een speciale WIK-uitkering, waarmee ze mogen proberen aan hun diepste aandrang vorm te geven. Voor de tubes en kwasten kunnen ze bovendien een aparte rekening indienen.

Aan het eind van de eeuw is maar één conclusie mogelijk: de Nederlandse verzorgingsstaat, door Paars bijgepunt en fijngeregeld, heeft haar perfectie bereikt en zal het nieuwe millennium ingaan als het grootste samenlevingswonder dat de mensheid heeft voortgebracht.

Zeker nu ook een oplossing is gevonden voor de stille armoede van een categorie landgenoten die in weerwil van alle maatschappelijke bewondering een wanhopige strijd moest voeren om de eindjes aan elkaar te knopen.

Net als de kunstenaars volgen zij een roeping. Een roeping die hen doet afdwalen van de arbeidsmarkt en hen veroordeelt tot een blijvende onmaatschappelijkheid. Het is niet de lokroep van de geest, niet de influistering van de Muze, het is niet de verleiding van het eigenste ik, maar, veel banaler, een zuiver lichamelijk moeten dat hen rusteloos voortdrijft over de sintelbaan van het bestaan. Hun atelier is het eigen lichaam en dag en nacht zijn ze erin bezig met het verleggen van grenzen, met het vergroten van de longfunctie, het afstemmen van de hematocrietwaarde, het opvoeren van het adrenalineniveau en het bewaken van de zuurgraad. De kunstwerken die dit atelier verlaten zijn de hondersten van seconden waarmee de gedrevenen zichzelf keer op keer verbeteren.

In deze race telt de flash van de prestatie, niet het geldelijk gewin.

Deze mensen noemen we topsporters. In Nederland leven er in ieder geval ruim driehonderd. Driehonderd mannen en vrouwen die dagelijks zo intensief met hun lichaam bezig zijn dat ze niet in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Geen tijd en geen puf meer. Het merendeel van deze topsporters heeft om die reden een schamel inkomen van minder dan 10.000 gulden bruto per jaar, zo blijkt uit onderzoek van de NOC*NSF.

Dat is niet veel. Al die torenhoge startgelden en sponsorbedragen, waar je zoveel over leest, bereiken de modale topsporter kennelijk niet. En ook de vette prijzen aan de meet gaan aan de neus van de Nederlandse atleet voorbij. Een uitstekende staat van het lichaam vormt in ons land geen garantie voor een maatschappelijk sterke positie. Integendeel, de zorg voor het eerste leidt in de meeste gevallen tot een verwaarlozing van het tweede.

Gelukkig heeft Paars II dit leed opgemerkt. De staatssecretaris van sportzaken, Margo Vliegenthart, diende vorige week een nota in waarin ze bekendmaakt alle topsporters met ingang van 2001 een basisinkomen te verstrekken. Precies zoals bij de kunstenaars krijgen de sporters een uitkering die zeventig procent van de bijstandsnorm bedraagt. Ruim duizend gulden per maand. Voor dit bedrag kunnen zij de hele dag zweten, rennen en exploderen. Als het eventuele prijzengeld beneden de 1.800 gulden per jaar blijft mogen ze dat bovendien zelf houden.

Ik vind het een heel lief voorstel. Want, laten we eerlijk zijn, het had niet gehoeven. Het was ook heel paars geweest om de topsporters aan de markt over te laten. Naast de driehonderd sappelaars uit het NOC*NSF-onderzoek zijn er genoeg voorbeelden van geslaagde sportlieden die met een zomeravondpartijtje gemengd dubbel een vakantiebungalow op St. Maarten bij elkaar slaan. De staatssecretaris had daarom de minder fortuinlijke hink-stapspringers, korfballers, schoonzwemmers en kanoërs het dwingende advies kunnen geven zich om te scholen naar de meer profijtelijke takken van sport. Het enige dat de overheid kwijt was geweest waren de kosten voor de noodzakelijke trajectbegeleiding.

Maar nee, de staatssecretaris trok royaal haar buidel en was bovendien zo aardig om van de topsporters geen prestaties vooraf te eisen. Wie als topsporter de hele dag wil trainen, mag dat betaald doen van Vliegenthart, ook al blijven de resultaten tegenvallen.

Dat is lief maar ook dapper. Dapper omdat ze het loon-naar-werken principe laat vallen bij deze uitbreiding van de sociale zekerheid. Dat moet je maar durven met Ad Melkert tegenover je in de Kamer. Maar het is vooral dapper omdat Paars II naar buiten toe zo onomwonden haar sociale gezicht durft te laten zien, ook al staat dat binnenskamers op onweer. Door een basisloon beschikbaar te stellen voor mensen die hun leven in dienst stellen van hun lichamelijk genot, toont dit kabinet een groot sporthart te bezitten. Het biedt plaats aan iedereen.

Niet alleen aan de minder draagkrachtigen, de burgers met zwakke schouders, maar ook aan hen die met groeihormonen testosteron de last van het bestaan moeiteloos kunnen torsen.

Het zou me niet verbazen als straks vanuit deze zorgvisie ook de gewone straatjunk voor een basisloon in aanmerking komt. Als hij, net als de topsporter, voor dit bedrag niet hoeft te scoren, maar gewoon met zijn lijf mag bezig zijn, zou dat een buitengewoon humaan gebaar zijn. De laatste paarse parel op de kroon van de verzorgingsstaat, dunkt me.