Dubbelfocus

Na laatst mijn Deutzia x rosea nauwkeurig bestudeerd te hebben haalde ik uit met mijn snoeischaar en moest constateren dat ik geen weerstand ontmoette – knip knip knip in de lucht, zoals een kapper die de laatste hand legt aan zijn werk. De plant zwaaide een heel klein beetje en leek heen en weer te zwemmen tussen scherp en onscherp: jawel, het was mijn dubbelfocusbril. Bifocale lenzen, een briljante uitvinding, hebben ook een nadeel: ze hebben een soort blinde zone waar de twee lenzen elkaar ontmoeten. Zoals een inhalende auto in de dode hoek tussen de achteruitkijkspiegels kan zitten, zo kan het voorwerp waarop je scherp probeert te stellen terechtkomen in een gebied dat alleen maar beschreven kan worden als brandpuntloos. Daar bevonden zich die Deutziastengels, degene die vorig jaar gebloeid hebben en er nu uit moesten.

Snoeien is een van de dingen die er onoverkomelijk moeilijk uitzien wanneer je met tuinieren begint; er zijn zoveel boeken over, zoveel adviezen, en veel ervan zo onduidelijk. Het is alsof je je opeens aan een of andere ingewikkelde gedragscode moest onderwerpen, een oud-Chinees ritueel, zonder inzicht te hebben in de onderliggende redenen. Je blijft maar nerveus allerlei dingen opzoeken in het boek en probeert ze te onthouden, maar dat lukt slecht want het lijkt allemaal nogal willekeurig. En alle ondernomen acties gaan vergezeld van het onrustige gevoel dat er iets verkeerd was, dat de rites niet werden uitgevoerd zoals het hoort en dat de toekomst in de waagschaal ligt.

Rozen snoeien met een boek in je hand is bijna net zo lastig als met een dubbelfocusbril op. Mijn eerste snoeiboek had afbeeldingen waarop de takken die er af moesten een afwijkende kleur hadden: ervóór een vormeloze warboel, erna een mooie ronde vorm. Mijn heesters leken in niets op die illustraties, noch vormeloos noch geordend. Maar onlangs zag ik verbluffende voorbeelden van snoeikunst, in Italië: daar gaan ze er net zo woest tegenaan als in de boeken. Er waren bomen waar niet meer van over was dan wat stompen; wijnstok vrijwel onzichtbaar, je zag alleen de staken; heesters waarvan het voortbestaan uitgesloten leek. Bestraffend snoeien, zou je kunnen zeggen – daarbij vergeleken is de foltering van de parasol-linde bij de Openbare Bibliotheek hier in de buurt bijna een liefkozing.

Je durft nooit genoeg weg te halen, daar komt het op neer. Het is als wreed moeten zijn uit liefde. Neem mijn bessenstruiken: ze hebben het nooit zo goed gedaan als nadat ze door iemand anders waren gesnoeid – met mij er handenwringend naast, vragend of het wel goed was zoveel weg te knippen. Ik kan het nu bijna zelf, maar ik kan niet zeggen dat ik het uit boeken heb geleerd.

De nieuwe witte kerstroos bloeit, voor het eerst, maar mijn oude paarse hebben besloten verstek te laten gaan. Komt het vaker voor dat kerstrozen zich gedragen als fruitbomen en om het andere jaar bloeien? Het is nu al de tweede keer dat ik dat meemaak met deze soort. Helleborus argutifolius, in vroeger dagen nog H. corsicus genoemd, heeft die afwijking niet, ik denk dat geen macht ter wereld ze het bloeien zou kunnen beletten. Oorspronkelijk waren die een cadeau van vrienden, ze hebben zich door de hele tuin verspreid en om deze tijd van het jaar zijn ze op hun best, met glimmend-groene bladeren en trossen fraaie roomkleurige bloemen.

Ik kan me niet veel planten voor de geest halen waar ik naar keek voor ik met tuinieren begon, afgezien van wat rozen en irissen en misschien de gekoesterde magnolia van mijn ouders – maar ik herinner me wel duidelijk dat ik halthield om te kijken naar een grote klomp H. argutifolius, in een botanische tuin. Ik had nooit eerder iets gezien dat er op leek en herinner me dat ik de Latijnse naam probeerde te onthouden tot ik weer thuis was. Helleborussen, ze lijken uit een ander zonnestelsel te komen; ze bloeien op vreemde tijden, diep in de winter en hun bloemen hebben ongebruikelijke kleuren, heel modern in feite: gebroken wit, crème, lichtgroen, donkerrood, een rijp soort paars.

Het enige verkeerde aan de Corsicaanse soort is haar omvalneiging; Helleborus orientalis en haar hybriden doen dat niet, zelfs niet in de diepste schaduw. De arme, oude Corsicaanse wordt maar al te vaak languit op de grond aangetroffen, `uitrustend' als Dagwood in Blondie, met haar bloemen naar beneden gedraaid. Als je haar opricht en ondersteunt met een stok zijn de bloemen goed te zien, want nu zijn ze naar boven gericht. Maar heel snel daarna, de volgende dag, zoniet het volgende uur – ik zal toch eens proberen om na te gaan hoe lang het werkelijk duurt – kijken ze alweer naar de grond. Zo ook met klimplanten die je in een lastige positie hebt opgebonden; de volgende dag hebben ze zich alweer teruggedraaid.

De enige manier om helleborussen goed te bekijken is ze omhoog naar je toe te draaien: toen ik dat deed met mijn nieuwe witte, een cultivar van H. orientalis, vond ik de bloem bewoond door een vroege naaktslak. De bloem is niet effen wit, er zijn binnenin ook groene vlekjes, van bovenaf onzichtbaar maar ongetwijfeld een lust voor het oog van daar beneden rondzoemende winterbestuivers. Sommige kerstrozen zijn uitgesproken gevlekt van binnen. Kwekers proberen te bereiken dat ze hun koppen niet meer laten hangen, maar ik ben bang dat ze ook dan nog de geëigende plant zijn voor hen die tuinieren op grondniveau, bij voorkeur languit. Ze van onderen uit de aarde bekijken, dat zou beslist de beste manier zijn, maar ik hoef het niet te proberen met mijn dubbelfocus; ermee snoeien gaat al haast niet, maar er iets ondersteboven mee bekijken is helemaal onbegonnen werk.