De monarchie kwijnt weg

Met het loslaten van het traditionele erfgoed zal ook het erfelijk koningschap in Nederland in rap tempo wegkwijnen, vindt Hans van den Bergh. De leden van het Republikeins Genootschap hoeven dan ook niet op de barricaden te klimmen om hun doel te bereiken.

Overgeprikkeld reageerde premier Kok onlangs op volksvertegenwoordigers die over hun gesprek met de koningin uit de school hadden geklapt. Het hele probleem zou uit de wereld zijn als de koningin zelf maar zó terughoudend was in haar contacten met politici dat het bekend worden van haar opmerkingen geen enkel risico meer inhield. Het enige schandalige in deze kwestie is immers dat Beatrix haar bevoegdheden te ver oprekt en Kamerleden die gekozen zijn om hun eigen ideeën onafhankelijk uit te dragen, probeert te beïnvloeden onder dekking van het Geheim van het Noordeinde. Zij zet hen in vertrouwelijk beraad onder druk door sterk politiek gekleurde standpunten te uiten. Zij stelt zich daarmee lijnrecht op tegenover afspraken uit het regeerakkoord. Het is veel erger dat de koningin haar neutrale positie in politieke controversen te grabbel gooit, dan dat we zulks nu eindelijk duidelijk te horen krijgen.

Het standpunt van Kok is kennelijk dit: dat de Majesteit zich misdraagt is tot daaraan toe – als het volk het maar niet te weten komt. De overtrokken reactie van de eerste-minister is trouwens een typisch symptoom van de kwaal waarbij iedereen op regeringsniveau beseft hoezeer de grondwet de regering opzadelt met een kwetsbaar relict uit het verre verleden: voor de vorm houden we een monarchie aan, maar binnen moderne verhoudingen moet van de zittende functionaris gevergd worden zich nergens mee te bemoeien.

Juliana kwam daar alleen tegen in opstand als het om de belangen van haar eigen man of kroost ging, maar Beatrix heeft steeds ijverig de grenzen van haar mogelijkheden verkend. En uit `menselijke' overwegingen gunt men haar enige opiniërende speelruimte, als daar in 's hemelsnaam maar niets van naar buiten komt.

Het lijkt voor alle betrokkenen wenselijker die anomalie uit het hart van ons constitutionele stelsel te verwijderen. De situatie kan alleen genormaliseerd worden met een zuiver ceremoniële president als staatshoofd, aangewezen om zijn persoonlijke verdiensten en sociale vaardigheden, maar zonder verplichting zijn/haar kroost vervolgens op die hoge post te continueren. De erfelijkheid houdt nu eenmaal geen garantie in voor de juiste constitutionele zelfbeheersing.

In tegenstelling tot wat de historicus Fontaine betoogde (NRC Handelsblad, 30 januari), laten de historische ontwikkelingen juist zien dat de republiek langzamerhand de mondiale regel is geworden en een koninkrijk de saillante uitzondering. Een dikke eeuw geleden was er in Europa nog maar één republiek (Zwitserland) tegenover een kleine 25 vorstendommen (het aantal wisselde met name in Duitsland nogal sterk). Nu is er aan de randen van Europa nog een handvol koninkrijken over en is de republiek de normale staatsvorm in zo'n twintig landen. De verhoudingen zijn dus in honderd jaar omgekeerd. Wereldwijd gezien is het erfelijk koningschap een volstrekte uitzondering, die in drie van de vijf continenten in het geheel niet voorkomt en in Azië sporadisch.

Als historicus had Fontaine, met zijn heldere blik op onontkoombare veranderingsprocessen, dus wel een toontje lager mogen zingen. Fontaine heeft overigens gelijk als hij stelt dat nu bij opiniepeilingen zich nog 87 procent voor de monarchie uitspreekt. Mensen zijn gehecht aan wat ze gewend zijn en nu bij de Europese eenwording de nationale staat langzaam aan betekenis inboet, klampt men zich vast aan symbolen die ons met het verleden verbinden.

Door het stijgende opleidingsniveau onder de oprukkende nieuwe cohorten neemt het zelfstandige kritische denken over de status quo toe. Het leeglopen van de kerken is een duidelijk teken dat men het traditionele erfgoed in rap tempo loslaat. Het geloof in de zegenrijke mythe van het koningschap zal met dezelfde versnelling wegkwijnen, ook zonder dat het Republikeins Genootschap daartoe speciaal de barricades opgaat.

Op 5 februari noemde A. van der Werff in deze krant het koningschap een vriendelijk stukje folklore. Daar zou het Republikeins Genootschap hem graag in bijvallen als de specifiek Nederlandse invulling van de monarchie nu juist niet een vergaande geheime beïnvloeding door de dienstdoende koning(in) insloot. Hij/zij kan immers vermanen en adviseren, maar op grond van welke speciale bekwaamheid? En wie controleert welke invloed die vermaningen en adviezen hebben op onze gedweeë ministers? Zonder checks and balances ten aanzien van reëel uitgeoefende macht kan geen goed functionerende democratie bestaan.

De discussie werd een week later op de opiniepagina voortgezet door dr. P.B. Cliteur. Het Republikeins Genootschap vecht tegen windmolens. Wij zouden ons, vindt Cliteur, niet tegen de ongecontroleerde macht van de koningin moeten keren, maar tegen die van de ambtenaren. Maar tussen deze soms ondemocratische invloed en die van de koning bestaan toch twee essentiële verschillen. Ten eerste is de democratische controle op het ambtenarenapparaat in principe waterdicht geregeld. Geen capabele minister zal ooit gedogen dat zijn ambtenaren zijn politieke keuzes niet respecteren en geen capabele Kamer zal een minister gedogen die zijn ambtenaren niet in de hand houdt. Het ongeluk is alleen dat ons kleine land soms ook minder capabele ministers kent, die hun hoogste ambtenaren te veel eigen beleidsruimte geven en deloyale uitspraken in de media accepteren. En het wegsturen van falende ministers door de Kamer is ook geen goed gebruik meer. Maar dat zijn fouten binnen een regelgeving en geen fouten van het systeem zelf.

En dat laatste is bij eigengereid optreden van de koning wel degelijk het geval. Het is weliswaar niet de hedendaagse interpretatie van `ministeriële verantwoordelijkheid', maar oorspronkelijk mikte Thorbecke met de bijbehorende `onschendbaarheid van de koning' op het plaatsen van een kamerscherm om het vaak al te bruuske optreden van de negentiende-eeuwse koningen. Destijds betekende het zeker niet dat de invloed van Willem III tot nul werd gereduceerd. De koning kan in ons stelsel altijd nog naar hartelust de participanten in de besluitvorming onder druk zetten en doet dat ook in gesprekken met bewindslieden, fractievoorzitters en Kamerleden.

Daar mag niet over gesproken worden, juist omdat het stelsel niet meer bij hedendaagse verhoudingen en opvattingen past. De gewone man mag zich niet realiseren dat de koning een door Thorbecke's grondwet gecamoufleerde, maar geenszins uitgeschakelde machtsfactor is.

Het tweede verschil tussen onze zorgen en die van Cliteur schuilt in de erfopvolging. Ambtenaren, ministers of Kamerleden die hun boekje te buiten gaan, zullen tenminste niet door hun zoon of dochter worden opgevolgd. Dit is en blijft het kernbezwaar tegen het erfelijk koningschap, dat alleen door de invoering van de republiek kan worden opgeheven.

Daarom ziet het Republikeins Genootschap een presidentschap van louter representatieve signatuur als enige en ideale oplossing, waarbij telkens het algemeen gewaardeerde, niet-politieke staatshoofd wordt opgevolgd door een al even alom gerespecteerde geestverwant, maar in elk geval nooit door een bloedverwant.

Prof.dr. H. van den Bergh is emeritus hoogleraar cultuurwetenschappen en woordvoerder voor het Republikeins Genootschap.