Burn-out

In het artikel van Mariel Croon over burn-out (Z 23 januari) komt weer eens duidelijk naar voren welk een Babylonische spraakverwarring er heerst als het gaat om begrippen zoals overspanning en burn-out. Sommige deskundigen zijn daarbij van mening dat overspanning en burn-out eigenlijk hetzelfde is, maar dat de term burn-out wordt gebruikt in relatie tot het werk. Anderen echter, waartoe ik ook zelf behoor, menen dat er wel degelijk een verschil is.

Croon kennelijk ook, want zij stelt dat burn-out zich van overspanning onderscheidt door de aanwezigheid van vermoeidheid en emotionele uitputting. Dit onderscheid is echter niet juist: ook overspannen mensen voelen zich vaak moe en uitgeput. Ik zou op grond van de beschrijvingen in het artikel in geen enkele casus de diagnose burn-out stellen. Het gaat om mensen, die langdurig te zwaar zijn belast – al dan niet in de werksituatie, dat doet niet ter zake – en uiteindelijk de energie niet meer kunnen opbrengen om aan de, soms zelf opgelegde, dagelijkse verplichtingen te voldoen.

Is burn-out dan een modebegrip, dat inhoudelijk niets nieuws toevoegt aan hetgeen we daarvoor al overspanning noemden? Naar mijn stellige overtuiging niet.

Sommige beroepen vertonen een karakteristiek profiel: een forse werklast, weinig mogelijkheden deze werklast enigszins te kunnen reguleren, een continu vereiste hoge concentratie met aandacht voor details en veelvuldige interpersoonlijke contacten. Artsen, horecapersoneel, onderwijzers, verpleegsters. Na jarenlang perfect functioneren met vaak hoog idealistische motieven gaat de scherpte eraf. De arts ziet op tegen alweer een volle wachtkamer, de leerlingen worden ettertjes en de klanten krijgen geen persoonlijke benadering meer.

Het werk wordt een werklast en door onverschilligheid en onoplettendheid worden fouten gemaakt. Vanaf een bepaald moment in dit proces van attitudeverandering zou men van burn-out kunnen spreken. Daarover lees ik in het artikel van Croon helemaal niets.