AFZETTINGEN IN KRATERMEER GETUIGEN VAN BEGINNENDE IJSTIJD

Het IJstijdvak (Pleistoceen), dat zo'n 2,3 à 1,8 miljoen jaar geleden begon en dat circa 10.000 jaar geleden eindigde, bestond uit een afwisseling van ijstijden (glacialen) en warmere intervallen (interglacialen). We kunnen het niet bewijzen, maar geologisch is het uiterst aannemelijk dat het huidige tijdsinterval (het Holoceen) ook een interglaciaal is, zodat we na verloop van tijd weer een ijstijd tegemoet kunnen zien.

Inmiddels is bekend dat de afwisseling van glacialen en interglacialen mede wordt beïnvloed door de hoeveelheid instraling van de zon, die varieert op basis van (minimaal) drie belangrijke astronomische parameters. Die parameters vertonen elk hun eigen cyclus, van respectievelijk ongeveer 21.000 jaar, 41.000 jaar en 92.000 jaar. Ook voordat het Pleistoceen begon, varieerde de hoeveelheid zonne-instraling op basis van deze parameters, maar kennelijk moet er nog een andere factor over gesuperponeerd worden om ook echte ijstijden te krijgen. Daarom is het interessant te weten hoe de omstandigheden veranderden vlak voor het Pleistoceen begon.

Onderzoek aan de Universiteit van Cambridge (Engeland) kan helpen om een dergelijke overgang beter te begrijpen (Nature, 25 februari). De onderzoekers analyseerden daartoe de afzettingen in een kratermeer in Hongarije, die een slechts in geringe mate onderbroken opeenvolging vertonen van ongeveer 3 miljoen tot 2,6 miljoen jaar geleden. Dat was dus gedurende de `aanloop' naar het IJstijdvak, waarin sprake was van een, geologisch gezien, al dramatische daling van de temperatuur op aarde. De sedimenten die tijdens deze 400.000 jaar (waarvan er 320.000 konden worden teruggevonden) in het meer werden afgezet, bevatten een grote hoeveelheid stuifmeel, op basis waarvan de lokale vegetatie kan worden getraceerd. Die vegetatie hangt uiteraard samen met het klimaat, dus ook met de temperatuur, dus ook met de zonne-instraling, dus ook met de drie genoemde astronomische parameters.

Inderdaad konden in het sediment twee verwachte vegetatiecycli (namelijk van 21.000 en 41.000 jaar) worden aangetoond, maar de cyclus van 92.000 jaar werd niet gevonden. Daarentegen werd er wel een (overigens uit slechts vier delen bestaande, waarvan twee volledige) cyclus gevonden van 124.000 jaar. Deze cyclus laat zich niet op basis van bekende astronomische parameters verklaren, maar komt toch niet helemaal als een verrassing omdat een vergelijkbare cyclus is aangetroffen in de concentratie van door de wind aangevoerde stofdeeltjes in diepzeesedimenten. Het opvallende is dat de 124.000-jarige cyclus veel geprononceerder in de onderzochte meerafzettingen is dan de twee andere aangetroffen cycli.

De onderzoekers concluderen op basis van de kenmerken van deze cyclus dat het moet gaan om intern aangedreven, niet-lineaire reacties van het klimaatsysteem. Deze zouden de dynamische ontwikkeling van de vegetatie met een 124.000-jarige cyclus beïnvloeden, waarschijnlijk in samenhang met grootschalige veranderingen in het milieu. De aarde zelf, en dus niet een buitenaardse (astronomische) kracht, zou dan ook verantwoordelijk kunnen zijn voor het feit dat er niet continu afwisselingen van ijstijden en interglacialen zijn. Het begin van een IJstijdvak wordt daarmee nog interessanter dan het reeds was.