Zakenman Wei wantrouwt de partij

In Peking is de jaarlijkse zitting van het Volkscongres, het Chinese parlement, begonnen. Opnieuw nemen de leden een beetje afstand van het pure communisme. Maar de nieuwe ondernemers voelen zich nog niet veilig.

Toen Wei Gang als beginnend ondernemer een bankrekening opende, gebruikte hij een identiteitsbewijs van een overleden landgenoot. Tegen de bank vertelde hij een bedlegerige vriend van dienst te zijn. Meer hoefde hij niet te zeggen. Luguber? ,,Welnee'', zegt Wei Gang. Volgens hem was het een praktische oplossing, acceptabel voor een ieder die in China zaken doet.

De 45-jarige Wei, die was verbonden aan de universiteit van Peking voordat hij twee jaar geleden in zaken ging, is niet uit op fraude. Hij piekert er alleen niet over zijn geld onder eigen naam op een rekening te zetten, zegt hij, om te voorkomen dat hij zijn geld kwijtraakt als het onverhoopt slecht zou gaan met de Chinese economie en de staat krap bij kas komt te zitten. ,,Privébezit is wettelijk niet beschermd in China. Alles wat ik in de afgelopen jaren met veel moeite bijeen heb geschraapt, kan me van de ene op de andere dag worden afgenomen.''

De kern van het probleem, legt Wei uit, is de Chinese staatsideologie: het communisme dat uitgaat van openbaar bezit. ,,In de praktijk is daar steeds minder sprake van, maar het zal in theorie altijd in stand worden gehouden. Daar hechten de leiders die zich communist noemen veel waarde aan. Ze geloven dat het hun voldoende legitimiteit verschaft om in het zadel te blijven. Wij zijn daar de dupe van.''

De wijzigingen van de Chinese grondwet, die de komende dagen tijdens de jaarlijkse bijeenkomst van het voltallige Volkscongres, het Chinese parlement, moeten worden bekrachtigd, gaan ondernemers als Wei niet ver genoeg. Een nieuwe wettekst die enkele weken geleden door het permanent comité van het congres bekend is gemaakt, geeft de niet-staatssector – dat wil zeggen de stedelijke en plattelandscollectieven, particuliere ondernemingen en kleine zelfstandigen – voor het eerst in de geschiedenis van de Chinese Volksrepubliek een legitieme plek in de samenleving. ,,De niet-staatssector (...) is een belangrijke component van het socialisme met Chinese karakteristieken'', staat in het voorstel dat, overeenkomstig de traditie van het grotendeels onmondige parlement, vrijwel zeker zal worden aangenomen. Voorheen sprak het wetsartikel van `aanvullend' in plaats van `belangrijk'.

Volgens Jing Shuping, de 80-jarige voorzitter van de Chinese federatie voor handel en industrie, de enige officiële organisatie in China die het bedrijfsleven vertegenwoordigt, betekent de voorgestelde grondwetswijziging een enorme stap voorwaarts. ,,Ze garandeert de belangen en rechten van het zelfstandige deel van de economie dat inmiddels meer mensen werk bezorgt dan de staatssector'', zegt Jing.

Dat geldt volgens hem ook voor de wetswijzigingen die betrekking hebben op de duur van, wat volgens de Chinese interpretatie van de marxistische leer heet, `de primaire fase van het socialisme': de periode waarin het bestaan van kapitalistische ontwikkelingen noodzakelijk worden geacht. In de nieuwe tekst staat dat die fase ,,nog lange tijd'' zal bestaan. Dat is anders dan in de oude tekst, waarin staat dat China zich ,,momenteel in de primaire fase'' bevindt.

Het lijken wijzigingen van niets, maar volgens sommigen in China die trouw wensen te blijven aan wat zij beschouwen als de pure marxistische leer, gaan ze veel te ver. Li Yanming is een van hen. Hij is het hoofd van de afdeling voor het onderzoek naar het Marxisme-Leninisme en Mao Zedong-denken van het gelijknamige instituut aan de Chinese academie voor sociale wetenschappen. Li vreest voor de macht van de communistische partij. ,,In de jaren '50 en '60 zijn we overmoedig geweest. We dachten de fase van het socialisme al bereikt te hebben. Dat was fout. Voorlopig moet de kapitalistische economie zich nog ontwikkelen. Dat is fundamenteel correct. Maar er ontbreekt controle. De kinderen van corrupte partijfunctionarissen hebben bedrijven opgezet en genieten allerhande privileges. Zij eisen politieke inspraak. Om die reden bevindt de communistische partij zich inmiddels op een weg waarvan geen terugkeer mogelijk is. Er is geen toekomst voor het communisme in China en dat betreur ik.''

Het voorstel van het Permanent Comité van het Volkscongres om de zogeheten Deng Xiaoping-theorie, over de ontwikkeling van de `socialistische markteconomie', in de grondwet op te nemen, vindt Li een aanfluiting. Deng, de twee jaar geleden overleden opperste leider die ingrijpende economische hervormingen doorvoerde, verdient die plek niet, zegt Li. ,,Zijn ideologie heeft niets met het marxisme van doen. Maar aangezien het marxisme geen waarde meer heeft in China en de grondwet in dat opzicht geen betekenis heeft, kan die aanvulling er ook wel in.''

Zakenman Wei Gang, die zijn geld verdient met de handel in tassen voor een leverancier uit Duitsland, gelooft dat de wetswijzigingen vooral zijn bedoeld om het conservatieve kamp onder de communistische leiders, hoe klein dat ook is, milder te stemmen. ,,De meerderheid van de regering is er inmiddels van overtuigd dat zelfstandige ondernemingen de belangrijkste kracht achter de groei van de Chinese economie zijn.'' Van de 10 miljoen staatsarbeiders die vorig jaar zijn ontslagen, hebben er 6 miljoen nieuwe banen gevonden, waarvan 60 procent bij zelfstandige ondernemingen. ,,Het belang van de particuliere sector kan niet langer worden gemarginaliseerd'', zegt hij.

Om die reden pleit Cao Siyuan, een invloedrijke intellectueel die het brein is achter China's faillissementswet, voor een naamsverandering van de communistische partij. ,,De partij moet de Socialistische Partij gaan heten. Laat toekomstige generaties maar beslissen of zij communisme wensen of niet'', zei hij onlangs in de Hongkongse krant Sunday Morning Post. Wanneer de leidende partij niet langer, in een letterlijke vertaling, de `partij van het openbaar bezit' heet, zullen zelfstandige ondernemers ervan verzekerd zijn dat hun bezit nooit in beslag zal worden genomen, redeneert Cao.

Maar zolang dat nog niet het geval is, werken ondernemers als Wei Gang liever zwart. ,,De overheid denkt dat zij zelfstandige ondernemers bevelen kan geven'', zegt Wei. ,,Er is een schrijnend verschil tussen de manier waarop de overheid een verlieslijdend staatsbedrijf behandelt en een winstgevende onderneming zoals die van mij. Een manager van een staatsbedrijf krijgt bij het Bureau voor handel en commercie meestal zijn zin. Hij dreigt gewoon met een faillissement. Dan is de staat immers verantwoordelijk voor de werknemers die op straat komen te staan, en daar zit niemand bij de overheid op te wachten. Een zelfstandige ondernemer daarentegen heeft geen poot om op te staan. Als er problemen zijn, mag hij ze zelf oplossen.''