Tweetalig Nederland

Nog één keer. Tot de grote uitvindingen van deze tijd hoort de nummertjestrekker, als het ware de compensatiemachine van de computer. Dankzij de computer kunnen alle handelingen sneller worden verricht. Dat betekent meer aanbod voor de loketten. Nog iedere dag melden zich bij alle overheidsdiensten, luchtvaartmaatschappijen, banken, enz. meer mensen die haast hebben. Het gevolg is de flessenhals. Daar zou ondraaglijk worden gedrongen - moord en doodslag - als we niet de nummertjestrekker hadden. Wie binnenkomt trekt zijn nummertje, gaat zitten of rondhangen en kan in alle rust wachten op het plong! en het getal van zijn beurt. In het wachten zijn de verschillen tussen rangen, standen en generaties goeddeels opgeheven. De wachtenden vormen een tijdelijke, vreedzame gemeenschap zonder verplichtingen. Veel jongeren gaan samen naar het loket, ouderen en nog ouderen beginnen een praatje. Dit betekent dat de wachtruimte voor de loketten een van de beste plaatsen is om naar de ontwikkelingen in de spreektaal te luisteren.

Jan Stroop heeft gelijk. Het Poldernederlands zoals door hem beschreven in zijn essay Poldernederlands waardoor het ABN verdwijnt ('De verleiden taid van vreide is aurlog') is aan de winnende hand, en niet alleen bij de jonge vrouwen met carrières in de kunst en de journalistiek, die hij als baanbreeksters heeft geïdentificeerd. Het is een wat overmoedige stellling misschien, maar luisterend in de lokethallen wil ik wel verdedigen dat ook buiten die beroepsgroepen alleen nog over aurlog en vreide wordt gesproken als ze het over het boek van Tolstoi hebben.

Een andere ontwikkeling, ook door Stroop gesignaleerd, is die in de uitspraak van sommige medeklinkers. Ik noem de r en ik citeer Stroop: ,,Het klinkt een beetje alsof de tong bij het spreken vastloopt. Deze (`Gooise r') heeft voor de spreker die distinctie nastreeft, een bepaald voordeel; hij heeft namelijk door zijn retroflexe articulatie (je krult je tong zowat achterover) een voor het Nederlands opvallend en ongebruikelijk karakter, iets exclusiefs. Misschien wekt hij ook daardoor wel de indruk dat hij niet dan na met de grootste inspanning te realiseren is.''

In de lokethal zat ik naast twee meisjes die achttien of ouder waren. Dat wist ik omdat ik af en toe het woord `stemmen' kon ontcijferen. Ik wilde er meer van weten en dus begon ik gericht mee te luisteren (zoals het in The French Connection wordt gedaan). Maar hoe ik mijn oorschelpen en trommelvliezen ook bijstelde, ik kon er niets van verstaan. Het was Nederlands zonder een vreemd accent, het was geen dialect, het had geen klassekenmerken. Het was mijn moedertaal, maar dan van een eeuw - dat besefte ik opeens - die niet meer de mijne zou zijn.

Het leren van een vreemde taal begint ermee dat je gaat onderscheiden waar het ene woord eindigt en het volgende begint. Na het herkennen van de woorden in hun begrenzingen komt het begrijpen. Natuurlijk: je hebt de woordenlijstjes al uit je hoofd geleerd - om te kunnen lezen - maar het verstaan is nog iets anders. En nu, in dit geval, zou ik waarschijnlijk zonder moeite alles hebben kunnen lezen als die twee hun gesprek hadden opgeschreven. Maar ik verstond er geen klap van. Ik herkende poldernederlandse klanken. Dat het daarbij bleef, ontdekte ik al luisterend, had twee oorzaken. Ze praatten in een tempo dat je van latijnse volken kent, en ze lieten bij deze maximum snelheid bovendien de woorden zonder de scherpe begrenzing van medeklinkers in elkaar overvloeien. Hun gesprek stroomde als een zeer snelle vliet met onbekende golfslag.

Dat de mensen zich in de loop van de tientallen jaren anders gaan uitdrukken, dat ze andere woorden, stopwoorden en zegswijzen kiezen, dat weten we nu wel. Bij de dood van Philip Bloemendal is dat weer eens gememoreerd. Het talent van deze begaafde woordkunstenaar was o.a. dat hij dit zelf wist en er doeltreffend gebruik van kon maken. Dan hadden en hebben we nog de dialecten, de soorten Nederlands zoals die door de resten van klassen, standen en zuilen worden gesproken. Nieuw is het ontstaan van een moedertaal, onafhankelijk van al het vorige. Deze taal kan door degenen die er virtuoos in zijn, onverstaanbaar worden gemaakt voor de anderen die er niet mee zijn opgegroeid.

Stroop stelt, samengevat, vast dat er intussen al een tweede generatie is die zich van deze taal bedient. Dit is bovendien een generatie die haar eigen weerbaarheid, rangorden en prestiges heeft. Het kan niet anders of het gevolg daarvan is op den duur dat Nederland tweetalig wordt. En dan moeten we ons serieus gaan afvragen of het traditionele ABN het haalt en op welke manier. Want wat zullen de gevolgen van de nieuwe spreektaal voor de schrijftaal zijn?