Sumimasen

Japanners vormen een beleefd volk. Voor ik naar Japan ging dacht ik nog wel eens dat Japanners vooral erg beleefd zijn als zij zich in den vreemde bevinden. Ik word zelf ook altijd een stuk beleefder als ik een land bezoek waarvan ik de taal en de zeden niet ken. Een faux pas is zo gemaakt.

Maar een Japanner is ook beleefd in eigen land. Het eerste woord dat een buitenlander dan ook moet leren is `sumimasen', wat `neemt u mij niet kwalijk' betekent. Handig als de buitenlander bijvoorbeeld de weg wil vragen of schoenen aanhoudt waar sloffen gedragen dienen te worden. Tot zover niets vreemds.

Ik bevind mij in de nachtbus. Ik zie naast mij een alleraardigst joch van een jaar of acht zitten. Hij is goed uitgerust voor de reis met een gameboy en een blikje thee. `Wat er nog aan ontbreekt is een Nederlands snoepje', denk ik en bied mijn jonge reisgenoot een Mentos aan. Schrik. Verwarring. `Waarom wil die grote neus dat ik haar snoepje eet?' Met neergeslagen ogen houdt het jongetje zijn hand op, blijkbaar nog niet geïnstrueerd over hoe gevaarlijk het is om een snoepje van een vreemde aan te nemen. En dan hoor ik hem zacht doch duidelijk zeggen: `Sumimasen, sumimasen...' Sumimasen? Heeft hij mijn bagage omgegooid? Wil hij het snoepje toch maar liever niet?

Neen, sumimasen betekent hier `dankuwel'. Of liever: `Neemt u mij niet kwalijk dat u de moeite heeft genomen te denken dat u mij een snoepje moest aanbieden. Neemt u mij niet kwalijk dat u nu zelf minder hebt!'

Voor mij als Nederlander is dit gebruik bijna niet te bevatten. Mijn redenering is: `Als het mij last had bezorgd, dan had ik het heus niet aangeboden.' En daar zit hem wellicht het verschil – een Japanner zou waarschijnlijk boven een ravijn hangend nog snoepjes aanbieden, zich met één hand vastklampend aan de rand.

Terwijl ik hierover geamuseerd aan het nadenken ben, zie ik mijn buurman vooroverbuigen naar zijn moeder. Er wordt druk gefluisterd. Ineens draait de moeder zich met een woeste ruk naar mij om. `Sumimasen!' Op luide toon met een onhandige buiging vanuit haar stoel. Ik wuif het weg, maar daar verschijnt prompt een klein handje voor mijn neus. In het handje zit een pakje kauwgum geklemd. Na mijn ongelofelijk genereuze gebaar moet er natuurlijk een wederdienst verricht worden. Ik neem het kauwgumpje aan, en knik het jongetje toe: `Sumimasen.'