Steeds losser, steeds vaster

We hebben er in Nederland een nieuwe bijbel bij: het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 waarin de belangrijkste sociale veranderingen van de afgelopen 25 jaar behandeld zijn. Om deze te schetsen waren uiteindelijk 790 bladzijden en zo'n half miljoen woorden, 189 tabellen, 116 figuren of grafieken, 17 hoofdstukken en bijna 2 kilo papier nodig. Het is uiteraard onmogelijk om een dergelijk statistisch monument recht te doen. Maar er zijn een paar voor de hand liggende vragen. Wat is de opzet van het rapport? Welke ontwikkelingen springen eruit? Welke theoretische interpretatie staat het voor? Welke methodische vragen roept het op? En wat is de politieke strekking?

Hoewel het Sociaal en Cultureel Rapport altijd een stel vaste thema's kent, wijkt het in twee opzichten van voorgaande rapporten af. Ten eerste is meer dan voorheen naar samenhang tussen de verschillende onderwerpen gezocht. Ten tweede heeft men zich de vraag gesteld op welke punten Nederland tussen 1970 en 1995 is veranderd. Dat heeft geleid tot een publicatie die op zeer verschillende manieren te gebruiken is. Zij doet onder meer dienst als naslagwerk. Wie wil weten hoe vaak de Nederlander in 1987 naar de bioscoop toe ging, treft dat cijfer op pagina 709 aan. Behalve dit soort gedetailleerde informatie geeft het rapport ook de grote lijn van majeure veranderingen weer. Zo krijgt de lezer een indringend beeld van de manier waarop de criminaliteit zich de afgelopen decennia ontwikkeld heeft. Sociale wetenschappers en historici, journalisten en beleidmakers, cultuurfilosofen en politici: allen vinden bronnenmateriaal in overvloed. De trots waarmee de huidige directeur deze rapportage als een `internationaal unieke verzameling van gegevens' ten doop gehouden heeft, lijkt dan ook terecht.

Maar dit betekent niet dat er geen vraagtekens of onevenwichtigheden zijn. Zo zijn de historische beschrijvingen nogal wisselend van kwaliteit. Sommige onderdelen zijn taai (bijvoorbeeld over de sociale zekerheid), andere ronduit fascinerend. Dit laatste geldt bijvoorbeeld voor het hoofdstuk waarin de lotgevallen van de arbeid worden geschetst. In feite heeft het Nederlandse bedrijfsleven een even geleidelijke als ingrijpende modernisering ondergaan. We betalen daarvoor ook een prijs en wel in de vorm van een groot aantal werkloze en anderszins inactieve werknemers die niet aan de hoge eisen van de moderne economie kunnen voldoen. De culturele ontwikkelingen zijn eveneens boeiend. Vijfentwintig jaar geleden stond Nederland nog sterk in het teken van morele en sociale discipline. Momenteel kennen wij een liberaal klimaat waarin `vrijheid blijheid' door de meerderheid als hoogste wet omarmd wordt. Tegelijkertijd steeg de waardering voor een goede gezondheid en het streven naar intense lichamelijke ervaringen. Ten slotte gaf het politieke leven een paradoxale verandering te zien. Enerzijds nam de belangstelling voor traditionele politieke activiteiten af, anderzijds zijn er steeds meer burgers die zich inzetten voor de publieke zaak. De sterke groei van organisaties als Natuurmonumenten of Greenpeace is er een illustratie van. Er is veel politiek engagement maar wel buiten de overheid en de gevestigde kanalen om.

Beeldvorming

Ofschoon het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 veel te bieden heeft, vallen er een paar lacunes op. Deze hebben vooral betrekking op de media. Het rapport wijst zelf op het feit dat de opinies van het publiek maar ten dele voortvloeien uit eigen waarneming of ervaringen. Minstens zo belangrijk is de beeldvorming die door de media wordt aangereikt. Dat gold al aan het begin van de jaren zeventig en het geldt momenteel alleen maar sterker. Maar de behandeling van de media in het rapport is nogal stiefmoederlijk. Zij is ondergebracht in het hoofdstuk over vrije tijd en biedt weinig meer dan gegevens over de hoeveelheid tijd die mensen aan tv of krant besteden. De inhoud en mogelijke werking ervan op het publiek blijft goeddeels buiten beeld. Men komt niet verder dan de vaststelling dat het aandeel van de informatieve en kunstzinnige programma's teruggelopen is ten gunste van praatprogramma's, politieseries, soap en ander amusement of de observatie dat de Nederlander sneller van het ene naar het andere programma zapt. Daarmee doet men de massieve invloed van de media in de moderne samenleving onvoldoende recht.

Het opzetten van een systematische dataverzameling op dit gebied lijkt derhalve gewenst. De, voor het eerst opgenomen, behandeling van een reeks troonredes illustreert hoe waardevol dat is. Door de tekst van de verschillende troonredes te vergelijken kon een boeiend beeld worden geschetst van de manier waarop de politieke accenten in de loop der tijd veranderen. Op een soortgelijke wijze zou men bijvoorbeeld de hoofdredactionele commentaren van enkele toonaangevende kranten in Nederland kunnen onderzoeken. Of de inhoud en vormgeving van het tv-journaal dat elke dag om 8 uur 'savonds uitgezonden wordt. Men zou ook – naar analogie met het regelmatig herhaalde onderzoek naar tijdsbesteding – op een vaste week in het jaar bij mensen thuis kunnen nagaan welk programma zij bekeken hebben en wat hun opinie daarover was. Een dergelijke verzameling gegevens zou, zeker wanneer ze over een aantal jaren volgehouden wordt, grote waarde hebben voor latere onderzoekers die zich afvragen hoe en waarom het opinieklimaat in Nederland veranderd is.

Behalve gegevens, cijfers, tabellen en grafieken biedt het Sociaal en Cultureel Rapport 1998 ook een poging om deze van een (eerste) samenhangende interpretatie te voorzien. Daarbij gaan de auteurs van het begrip `individualisering' uit. In de meest algemene zin staat individualisering voor een groeiende autonomie van het individu ten opzichte van zijn directe omgeving. Als zodanig vormt het de `meest kernachtige karakterisering van de maatschappelijke dynamiek'. Men erkent dat dit begrip meerdere betekenissen heeft en geeft toe dat de term in het rapport voor diverse ontwikkelingen wordt gebruikt maar acht dit geen bezwaar `zolang de verwantschap tussen de ontwikkelingen maar duidelijk is'. En inderdaad treffen wij in vrijwel alle hoofdstukken beschouwingen aan over het effect van individualisering. Op demografisch vlak leidde ze tot een diversiteit aan leefvormen en het verdwijnen van de standaardbiografie. In politiek opzicht maakten burgers zich los van het traditionele gezag. In het onderwijs ontstond meer aandacht voor de individuele verschillen tussen leerlingen. De gezondheidszorg ging meer rekening houden met de specifieke wensen van de patiënt. In de woningbouw zag men een afname van het aantal bewoners per huis. En bij de vrijetijdsbesteding nam de belangstelling voor individuele sporten toe. Aldus lijkt individualisering inderdaad een fenomeen dat alle domeinen van het sociale raakt.

Toch ben ik niet erg enthousiast over de manier waarop het begrip individualisering wordt gebruikt. Het is mij te zeer een `negatief' begrip: het wijst op allerlei zaken die in de loop van de geschiedenis verdwenen of verminderd zijn. Het geeft aan dat het moderne individu zich uit de vaak strakke sociale controle door buurt en familie heeft bevrijd, dat men zich steeds minder gelegen laat liggen aan kerk of geloof en dat men zich niet langer laat opsluiten in een stereotiepe rol als moeder of als kostwinner.

Mentale statistiek

Maar het zegt veel minder over de figuren en verschijnselen die in positieve zin verschenen zijn. Wie de ontwikkeling van genoemde domeinen in concreto onderzoekt, ontdekt al snel dat het om divergerende geschiedenissen gaat. De veranderingen in het privé-leven staan bijvoorbeeld niet alleen in het teken van meer individuele vrijheden maar evengoed van meer persoonlijke en affectieve betrokkenheid. Men zou ook kunnen wijzen op het gestegen opleidingsniveau van werknemers, het toegenomen maatschappelijke engagement bij veel burgers en de sterkere hang naar zintuiglijke ervaringen. Kortom: elk domein vertoont eigen vernieuwingen die veel méér omvatten dat de vaststelling dat het individu op zichzelf komt te staan.

In methodisch opzicht heb ik moeite met de manier waarop waarden, normen, idealen en andere mentale grootheden behandeld zijn. Het lijkt wel alsof de onderzoekers niet kunnen besluiten of zij deze grootheden nu als afhankelijke dan wel als onafhankelijke variabele willen opvatten. De ene keer worden wijzigingen op het vlak van waarden en normen aan externe omstandigheden gerelateerd – zoals economische crises, de arbeidsmarkt of demografische verschuivingen. De andere keer lijkt het erop dat ze een eigen ontwikkeling doormaken en zelf van invloed zijn op de politieke of economische realiteit.

Deze ambivalentie komt het duidelijkst tot uiting bij de bespreking van het onderwijs. Enerzijds wordt de toegenomen onderwijsdeelname van jongeren aan hun kansen op de arbeidsmarkt gerelateerd. Ze zouden vooral een opleiding volgen omdat het economisch meer oplevert. Anderzijds lijkt de groeiende participatie een haast autonome wetmatigheid. Het zou gaan om onomkeerbare tendens, vooral samenhangend met het feit dat kinderen meer onderwijs volgen naarmate hun ouders ook meer onderwijs gevolgd hebben. Zelf denk ik dat het onderwijs inderdaad een niet te onderschatten eigen invloed heeft. Het rapport geeft daarvan diverse voorbeelden. Niet alleen het soort werk en de hoogte van het inkomen, maar ook de mate waarin men aan de maatschappij deelneemt, men gezond leeft of men als vrouw na de geboorte van een kind blijft werken blijkt telkens in verband te staan met de opleiding die men heeft gehad. Ik zou dan ook niet aarzelen om de toegenomen onderwijsdeelname als een van de voornaamste motoren in het proces van modernisering te zien.

In dit verband rijst ook de vraag of politieke en normatieve overwegingen de afgelopen 25 jaar meer op zichzelf kwamen te staan. In de tijd van de verzuiling waren normen en waarden in hoge mate een onderdeel van het sociale weefsel. Men kon ze als het ware nooit in `zuivere vorm' aantreffen omdat ze onverbrekelijk verbonden waren met het kerkelijk leven, de sociale klasse of het buurtleven. Deze hechte band tussen het normatieve enerzijds en de sociale verbanden anderzijds lijkt nu losser dan voorheen. Het rapport wijst daarop bij de behandeling van de ontzuiling in de politiek. Aan het begin van de jaren zeventig hing de politieke voorkeur nog vrij sterk van sociale klasse en kerkgenootschap af. Katholieken stemden overwegend op een confessionele partij, liberalen waren onkerkelijk en behoorden veelal tot de (hogere) middenklasse, socialisten waren onkerkelijk en kwamen voort uit de lagere klasse. Deze samenhangen bestaan in 1995 niet meer. Het lijkt wel alsof de kiezers voor sociaal-demografen `ongrijpbaar' aan het worden zijn omdat hun politieke voorkeur niet langer met sociale determinanten correspondeert.

Maar dat betekent niet dat hun partijkeuze willekeuriger geworden is. Wellicht is die zelfs rationeler geworden in die zin dat de kiezer tegenwoordig doet wat hij als burger moet doen: een keuze maken op grond van eigen overwegingen en niet op grond van de sociale groep waartoe hij of zij behoort. Dit spoort met de bevindingen van het onderzoek naar culturele veranderingen waaruit bleek dat de Nederlandse bevolking de afgelopen 25 jaar weliswaar mondiger geworden is maar dat dit niet tot meer onverschilligheid op normatief gebied heeft geleid. Integendeel: de eisen die wij tegenwoordig aan elkaar en aan onszelf stellen zijn op menig punt hoger dan enkele decennia terug.

Cultuur

Tenslotte heeft een document als het Sociaal en cultureel rapport 1998 een politiek aspect. Dat blijft doorgaans impliciet maar voor de goede verstaander is vaak duidelijk welke boodschap tussen de regels uitgezonden wordt. Twee voorbeelden. Met betrekking tot de etnische minderheden ziet het rapport met opzet van het begrip `multiculturele samenleving' af. Het feit dat de Nederlandse samenleving in toenemende mate mensen van verschillende culturele origine herbergt, betekent niet dat de seculiere, universalistische, individualistische kortom Westerse cultuur serieuze concurrentie ondervindt. Daar zijn zowel theoretische als empirische argumenten voor. In wezen acht het rapport een multiculturele samenleving onmogelijk. `Cultuurgoederen zijn geen sociale goederen, die volgens een bepaalde verdeelsleutel aan de bevolking kunnen worden verstrekt. Het culturele systeem van een maatschappij vormt een hiërarchie, die zich niet leent tot toewijzingen en quota'. Daarnaast is er een empirisch argument. Uit onderzoek onder jongeren blijkt dat de meesten zich veel sterker met het West-Europese cultuurpatroon identificeren dan de generatie die zich hier gevestigd heeft. `Deze culturele assimilatie (de term alleen al is een taboe) wordt door de overheid, belangenbehartigers en sociale wetenschappers niet zelden onderschat en miskend'.

Op soortgelijke wijze laat het rapport zich impliciet maar kritisch uit over ouders die geen weerstand bieden aan de verlangens van hun kinderen, over het gezagsverlies van de centrale overheid als gevolg van veelvuldig onderhandelen en over het mogelijk verband tussen toegenomen echtscheidingen en sterk stijgende criminaliteit. Op sommige punten is het rapport meer expliciet en geeft men bijna een politiek advies. Zo stelt het ten aanzien van de gezondheidszorg vast dat de maatschappelijke behoefte aan zorg veel sneller stijgt dan de middelen die overheid daarvoor reserveert. Dat leidt, net als in het verleden, tot overschrijdingen met alle gevolgen vandien, zoals wachtlijsten of personeelstekorten die dan weer ad hoc gerepareerd worden. De ratio van een dergelijk beleid zal de zorginstellingen en de burgers meer en meer ontgaan. `De overheid zal vermoedelijk dan ook onder steeds sterkere druk komen te staan van burgers en instellingen die vinden dat inhoudelijke overwegingen en de prijs die burgers voor de zorg over hebben voorrang moeten krijgen op de financiële overheidsdoelen.' Met andere woorden: een minister die aan het huidige beleid vasthoudt, zal nog heel wat politieke en menselijke misère teweegbrengen. Het ware wenselijk dat politici dit soort waarschuwingen ter dege tot zich laten doordringen.

Sociaal en Cultureel Rapport 1998. 25 jaar sociale verandering. Infolio, 790 blz. ƒ80,–