Onzekerheid over gevaar van brand

De verhoren in de Bijlmerenquête gaan deze week over de eventuele risico's voor de gezondheid van bewoners en hulpverleners tijdens en direct na de ramp.

De weersomstandigheden op 4 oktober 1992 waren gunstig. Een harde noordoostenwind joeg de kwalijke dampen snel naar grote hoogten. Daarover waren de onderzoekers het vanmorgen voor de parlementaire enquêtecommissie roerend eens. Op andere punten liepen de meningen flink uiteen, waarbij opviel dat de enkele onderzoeken in opdracht van de overheid steeds uitmondden in vooral geruststellende conclusies.

Zo heeft het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) vorig jaar in een (modellen)onderzoek naar de effecten van de brand geconcludeerd dat noch de verbranding van het uranium uit het toestel, noch de vorming van (kankerverwekkende) dioxines groot risico heeft opgeleverd voor de hulpverleners. Dit werd vanmorgen betwist door de chemicus L. van der Kooij van het onderzoeksbureau DHV, die door de enquêtecommissie in januari van dit jaar was benaderd om een contra-expertise uit te voeren. Het bureau heeft hiervoor de hulp ingeroepen van Duitse deskundigen die ervaring hebben met het analyseren van grote branden. Volgens Van der Kooij hadden de brandweermannen in ieder geval persluchtmaskers en handschoenen moeten gebruiken. Het gevaar was volgens hem ook niet geweken toen de eerste twee grote vuurkolommen waren gedoofd. ,,In de smeulfase zijn risico's aanwezig. De stoffen verbranden minder volledig; juist dan ontstaan bijvoorbeeld dioxines'', aldus Van der Kooij. Hij was het wel eens met RIVM-medewerker R. Smetsers dat noch de verbranding van uranium, noch de ruim 200 kilo DMMP, de grondstof voor het zenuwgas Sarin, als deel van de lading veel risico heeft opgeleverd. DMMP verbrandt al bij een temperatuur onder de honderd graden. Maar volgens Van der Kooij moet wel worden bedacht dat het een toxische stof is die zelf ook op het zenuwstelsel werkt. Beide onderzoekers konden de commissieleden Singh Varma en Augusteijn geruststellen dat de drie grondstoffen voor Sarin in de brandhaard niet spontaan het zenuwgas kunnen hebben gevormd.

Tijdens de gisteren gehouden verhoren werd duidelijk dat zich vijf, zes jaar na de ramp steeds meer mensen uit de Bijlmer melden met klachten over hun gezondheid, maar dat tot halverwege vorig jaar de inspectie voor de volksgezondheid in Rijswijk ernstige twijfel hield over het nut van een grootscheeps onderzoek. Plaatsvervangend hoofdinspecteur voor de volksgezondheid H. Plokker trachtte gistermiddag duidelijk te maken hoe dit kwam. Volgens hem was er ,,steeds weer discussie over het doen van een ongericht lichamelijk onderzoek''. De hoofdinspectie won hierover volgens Plokker ook advies in bij andere deskundigen. ,,En die zeiden dan dat je bij zo'n ongerichte aanpak altijd vijf of tien procent klachten vindt, zonder dat er een verband met de vliegramp is te leggen''.

De grote onrust die een dergelijk onderzoek teweeg zou brengen, vormde volgens Plokker een reëel gevaar, terwijl tegelijkertijd het nuttig ,,geruststellend effect'' twijfelachtig was. In 1995 en volgende jaren werd er vanuit de Tweede Kamer aangedrongen op een medisch onderzoek van de bewoners rond de rampplek. Waarom is het er nooit van gekomen, wilde de commissie van Plokker weten. ,,Bij de afweging is de balans steeds doorgeslagen naar de overtuiging dat een ongericht onderzoek niet moest''. Vooral het bestuur van het AMC zag was die mening toegedaan, meldde Plokker.

Een andere factor was dat er te weinig bekend was over de lading. De enquêtecommissie bleek het daar niet mee eens en wees op de grote hoeveelheid vrachtbrieven die bijvoorbeeld in 1996 naar de Tweede Kamer zijn gestuurd en waarop diverse chemische stoffen stonden vermeld. De hoofdinspecteur moest toegeven dat de ministers van VROM en Verkeer en Waterstaat de beantwoording van eerdere vragen uit de Tweede Kamer over de effecten van de lading op de menselijke gezondheid en over de gevaren waaraan hulpverleners hadden blootgestaan, voor hun rekening hadden genomen zonder te overleggen met de minister van Volksgezondheid.

Wat de commissie vooral stoorde was dat bij de afwijzing van het grote medische onderzoek steeds werd verwezen naar een korte rapportage van de GG en GD van Amsterdam uit 1994. Daaruit bleek toen dat huisartsen in het geheel geen klachten hadden gehoord die te herleiden waren naar de ramp.

Pas in de loop van 1998 begonnen in het AMC de voorbereidingen voor een serieus medisch onderzoek. Waarom toen wel, vroeg de commissie aan Plokker. ,,Omdat in de afgelopen tijd duidelijk is geworden dat de angst en onzekerheid zo groot zijn dat daarmee de nadelen zijn weggevallen'', aldus de hoofdinspecteur. In dit onderzoek zal ook gekeken worden naar het bloed van de slachtoffers.

De psychiater B. Gersons deelde de commissie desgevraagd mee dat er zeker honderd mensen lijden aan posttraumatische stress-stoornis (PTSS) als gevolg van de ramp. De gevolgen voor deze groep zijn ernstig, al is de kwaal in gemiddeld zestien behandelingen wel onder controle en beheersbaar te maken. ,,Maar de concentratie keert nooit helemaal voor 100 procent terug'', aldus de hoogleraar psychiatrie.