Ons culturele weeshuis

Volgende week woensdag begint de Boekenweek. Het thema dit jaar: `familie-album – ouders en kinderen in de literatuur'. Een actueel onderwerp. De familie is terug van nooit weggeweest. Alleen de vaders en moeders in de literatuur, de schrijvers die nu rond de vijftig zijn, blijven tobben over `ik' binnen en buiten hun thuis.

Het lijkt wel een scène uit een streekroman. In het oude huis van grootvader, een landhuis aan een bosrand dat van generatie op generatie overgaat, komt een familie samen. De grootvader troont zelf massief en ontzagwekkend bij het haardvuur, dun grijs haar als wolkenflarden om het hoofd. Zijn kinderen en kleinkinderen zitten in een slordige formatie om hem heen. Alles naar een oud patroon – zo gaat het ieder jaar op Allerzielen.

`Vandaag', spreekt grootvader met gepaste plechtigheid, `herdenken we de doden'. Hij vertelt van Willem, Karel, Frans en Kobus en nog anderen, de mannen die het geslacht tot bloei hebben gebracht. Eenvoudige werklieden die uitgroeiden tot de grote bouwheren van de streek. Ze zetten het station neer en de gasfabriek, maar ook het klooster en de kerk. Ze waren geen heiligen, maar ze bleven altijd goede katholieken bij wie nooit een mens van honger hoefde om te komen en verdienen het dat men hun nagedachtenis in ere houdt. `Wij hebben de geschiedenis meer nodig dan de geschiedenis ons nodig heeft. Zo is het toch?'

Zijn oudste kleinzoon kijkt hem de woorden uit de mond. Hij is een jaar of tien en voelt met gloeiende trots dat de geschiedenis hem een taak oplegt. Hij zal het vaandel overnemen. Hij, de stamhouder, zal de traditie voortzetten. De zure geur van specie en de zoete geur van vers, blank hout – hij voelt de scheppingsdrang der vaderen in volle tomeloosheid op hem overslaan.

Maar als dit een scène uit een streekroman is, dan toch wel uit een merkwaardig exemplaar. Want als de jongen langer naar zijn opa luistert, slaat de twijfel toe. Is die traditie nog wel zo vitaal als hij meteen maar aannam? Het station is afgebroken, de gasfabriek wordt ook gesloopt. De kerk ligt al veel langer plat en opa lijkt niet erg onder de indruk van de dingen die zijn nazaten voor dat alles in de plaats stellen. Opa valt opeens zelfs uit tegen zijn oudste zoon, die ook in de bouw zit. `Ik wist niet dat je een bedrijf had', gromt de patriarch. `Ik dacht dat je een soort beunhaas was. Schoorsteentje hier, muurtje daar, alles zwart. Dat noem ik geen bedrijf.'

De jongen hoort geschokt toe, want de aangesproken oudste zoon, dat is zijn eigen vader. Een beunhaas! En opa blijkt nog meer op de lever te hebben. Hij verwijt zijn kinderen dat ze nergens meer om geven, nergens in geloven. Niet in de familie, niet in de traditie, enkel in hun eigen troosteloze baatzucht. Ze zijn hun voorouders onwaardig, zo maakt hij duidelijk, en hij blijkt daar speciaal voor deze gedenkdag een bestraffing voor bedacht te hebben. Hij verkoopt het huis. Hij weet dat zijn kinderen op het pand azen, maar ze zullen het niet krijgen, want het wordt de showroom van de plaatselijke garage. De bosrand wordt gekapt, de vijver gedempt, het hele terrein geasfalteerd. `(...) je zult weten wat je hebt aangericht,' bijt hij zijn oudste zoon toe. `Je zult het weten!'

Waarna de jongen achterin de auto bij die oudste zoon die zijn vader is naar huis rijdt, met een peilloos huilerig gevoel. Zijn vader is geen echte bouwheer en hijzelf zal het wel niet meer worden. Zijn gedroomde verleden is hij kwijt en daarmee ook zijn toekomst, zijn bestemming, heel zijn plek in het leven, ja, wat eigenlijk niet?

Het is die vraag waar Bouwval, de debuutnovelle van Frans Kellendonk uit 1977, je aan het eind mee achterlaat. Het maakt gebruik van het stramien van de streekroman (met name van De schone ontgoocheling van ene Victor de Jonge uit `49, naar het schijnt) en het verlustigt zich in de familietradities die daar van oudsher de kern van uitmaken. Maar de moraal gaat daar vervolgens lijnrecht tegen in, want de familie valt uiteen en de traditie gaat kapot. De streekroman blaast zichzelf op. Een tijdperk loopt ten einde, laat Kellendonk zien, en wat er voor in de plaats komt blijft voorlopig nog volkomen ongewis, een stap in het donker.

Bouwval is daarmee, onder veel meer, een prachtige verbeelding van die sluipende ontwikkeling die honderdduizenden huisgezinnen in het Nederland van na de oorlog heeft aangeraakt. Het land moest wederopgebouwd, het landsbelang ging voor. De economie moest aangezwengeld, vrije dagen kosten geld. Het hele maatschappelijke leven raakte voor het eerst in handen van de economische rekenmeesters, en al hoopte menigeen daarmee het Nederland van voor de oorlog terug te winnen, het effect was tegenovergesteld. Welvaart werd een doel als nooit tevoren, los van God, los van gebod, en het verlangen naar die welvaart werd het paard van Troje waarmee wij onszelf ontzuilden. Baatzucht nam de plaats in van geloof, om met de grootvader in Bouwval te spreken.

De gevolgen kende Kellendonk uit eigen ervaring, zoals valt af te lezen uit Tijn Boons Kellendonk-studie Het koppige hoofd dat niet wilde scheuren. Hij groeide in de jaren vijftig op in een goed-katholiek gezin te Nijmegen. Hij werd gelovig genoeg om van de huiskrant die hij op zijn twaalfde in zijn eentje volschreef een `extra editie' uit te brengen bij het overlijden van paus Johannes XXIII en hij was familieziek genoeg om in die tijd meteen een stamboom-Kellendonk te maken. Maar die stuiptrekkingen van de traditie konden niet verhinderen dat hij vervolgens alles deed wat de traditie vorige generaties onmogelijk gemaakt zou hebben. Hij ging studeren, trok naar Amsterdam, werd schrijver en openlijk homoseksueel. Hij kreeg een onherkenbaar ander leven.

Interessant genoeg is dat in grote lijnen een patroon dat je bij tal van schrijvers van zijn generatie terugvindt. Oek de Jong, Nicolaas Matsier, Dirk Ayelt Kooiman, A.F.Th. van der Heijden, Nelleke Noordervliet, Jacques Vogelaar en Robert Anker, om er een paar op te gooien, werden allemaal tussen '45 en '55 geboren in provinciale middenstandsgezinnen, kerks en braaf, om met de zegeningen van de nieuwe tijden uit te groeien tot ontzuilde, stadse intellectuelen. `Nouveaux riches van de geest', met een typering van Kellendonk. Of ook wel `culturele weeskinderen', met een andere.

Het leven van zo'n weeskind bleek niet mee te vallen. `Wij zullen het moeten wagen', zoals Kooiman het in De vertellingen van een verloren dag omschrijft met een in kleine kring beroemd geworden zin, `(...) een werkelijkheid onder ogen te zien die leeg is.' God was weg en de moraal bleef vaag en zonder fundament, geen mens die nog kon bogen op een godgegeven vaste plek in het aardse bestel. De werkelijkheid was niet meer een omlijnd gegeven, het was iets dat je ineens moest uitvinden.

Vandaar dat de romanhelden van deze generatie tot ver in de jaren tachtig doende zijn geweest met weinig meer dan denken. God, wat konden die lui tobben. Ze probeerden hun bewustzijn te richten en hun verbeelding te scherpen en zodoende greep te krijgen op hun wereld. Maar ze stuitten daarbij onderweg op vragen over wat dat dan wel was, bewustzijn en verbeelding, en ze raakten al met al alleen maar meer verwikkeld in hun eigen tobberijen. `Ik ben me bewust van mijn bewustzijn', zoals de kampioen der zelfbeschouwing Nicolaas Matsier in Onbepaald vertraagd noteert, `ik walg van mijn walging. Met elke stap verwijder ik me verder van mijzelf.' Zodat ze niet zozeer een werkelijkheid terugvonden, alswel ook nog zichzelf verloren.

Met de erfenis van dit gepeins zit onze literatuur nog steeds. Ontelbaar zijn de helden, ook bij jongere schrijvers, die maar geen contact met hun omgeving krijgen. Ze horen nergens bij, ze leven in een vacuüm en zitten opgesloten in hun eigen hoofd. Niet eens meer vol van hersenkrakende gedachten in de regel, maar verdoofd, vervreemd van alles en verlangend naar een kick die op z'n minst weer een fysiek gevoel van leven wekt. Als onze literatuur op het moment een noemer heeft, dan is het dit soort solipsisme, en het heeft daarom wel iets ironisch dat de Boekenweek dit jaar de noemer meegekregen heeft van de familie, onder de kop Familie-album. Want waar is die familie, in de Nederlandse roman vandaag de dag? Inderdaad, in een album. Verstoffend op de rommelzolders der herinnering, waar nog wel meer prullaria te vinden zijn uit die al haast vergeten jaren dat pastoor en dominee nog op visite kwamen als moeder weer eens op alle dag liep.

Dat betekent overigens helemaal niet dat het thema slecht gekozen is. Het kon juist wel eens reuze actueel gezien zijn. Want het is niet alleen Marcel van Dam die zich in onze wereld zorgen maakt over de doorgeschoten individualisering, het zijn niet alleen maar carrière-sociologen die een `atomisering van de samenleving' vrezen. Ook in de roman zie je vanaf de jaren tachtig een besef opkomen dat het uitwuiven van de oude familietradities in veel levens een geweldig gat heeft nagelaten. De familie leeft voort als een gemis, een ongemakkelijke leemte, en die leemte laat zich tekenen – ongeveer zoals de omtrek van een lijk zich op het asfalt laat tekenen.

Zo gaat het ongeveer in Mystiek lichaam (1986), de laatste roman van Kellendonk, om die nog één keer als voorbeeld te nemen. Net als in Bouwval is er hier een vader, ooit verafgood maar allang ontmaskerd als een beunhaas en een nietsnut. Het is alleen ruim twintig jaar later en het jongetje van toen is uitgegroeid tot een onthechte kosmopoliet en homoseksueel. Hij woont in New York, waar hij als kunstcriticus van de jonge garde een voorname rol speelt in de opgedraaide kunstmarkt van de jaren tachtig, met zijn blinde geldzucht. `Geld was het idee der ideeën, in deze hemel der ideeën', zegt hij – en je hoort de grootvader uit Bouwval grommen.

Maar dan gaat alles mis. De markt stort in, zijn vriend wordt ziek en sterft en zelf voelt hij zich ook niet al te best. Waar kan hij heen? Nergens heen, want hij heeft kind noch kraai, hij kan alleen maar terug naar daar waar hij vandaan komt. Dus pakt hij zijn koffers en staat even later bij zijn vader op de stoep, die daar niet overdreven blij mee lijkt te zijn. Hij krijgt een kamer in een loods achter het huis, daar is nog plek, en het symbolische van de locatie ontgaat hem niet. Hij krijgt niet langer toegang tot het huis, hij hoort er niet meer bij. Voor hem zal de familie enkel nog bestaan als een schim in zijn hoofd.

Wat rest hem dan nog? Hij overdenkt in bed zijn zonden en komt tot een treurig rijtje. Een moreel failliet. Een ijzige leegte in het hoofd. Een ziekte onder de leden die hem, net als zijn vriend, zal slopen. Dat is eigenlijk het enige dat hem nog wacht, verval en dood, het is het enige dat nog houvast geeft, en hij eindigt daarom met een `hoogliedje'. Niet op het leven, maar op de dood.

In zijn haast satanische meedogenloosheid is dat een uniek slot voor een Nederlandse roman. Maar in zijn somberheid kon het toch ook wel eens typerend zijn voor de manier waarop een hele generatie schrijvers sinds de vroege jaren tachtig naar zichzelf is gaan kijken. Albert Egberts, de held die in De tandeloze tijd van A.F.Th van der Heijden opgroeit als een Brabantse jongen, eindigt als een Amsterdamse junk die hele dagen staat te peuteren aan autosloten. Paul Masereeuw, de held van het recente en in veel opzichten verwante Vrouwenzand van Robert Anker, verandert van een Zeeuwse jongen in een Amsterdamse advocaat van kwade zaken en loopt vast in een moreel vacuüm. De naamloze helden in het latere werk van Dirk Ayelt Kooiman, met als hoogtepunt De terugkeer uit '96, blijven maar tobben en verzanden in een artistieke impasse waar het werk helaas ook zelf erg blijk van geeft. En het werk van Oek de Jong, tot slot, verkeert al zo lang in een crisis dat het sinds het midden van de jaren tachtig niet veel meer heeft voortgebracht dan de essaybundel De man die in de toekomst springt, die in '97 verslag van die crisis uitbracht.

Het zijn vrij willekeurig gekozen voorbeelden, je kunt ook andere bedenken, maar het gaat om de richting. Hier spreekt een generatie die nog steeds de grootste moeite heeft zichzelf niet mee te laten zuigen in dat gat dat de traditie nagelaten heeft. Dat gat blijft open liggen, het onttoverde moderne leven blijkt op geen enkele wijze toegerust te zijn om het te vullen. Er is geen vervanging en geen troost, en zelfs de tijd heelt de wonden niet. Er is nog altijd: leegte. Eens een weeskind, altijd een weeskind.

De laatste jaren zie je echter wel een nieuwe strategie om met die grauwe wijsheid om te gaan. Een aantal schrijvers laat zijn aandacht voor de wereld van het heden even varen en kijkt terug. Asbestemming van A.F.Th. Van der Heijden, De afwezige van Dirk Ayelt Kooiman, Indische duinen van Adriaan van Dis, Gesloten huis van Nicolaas Matsier, De naam van de vader en Uit het paradijs van Nelleke Noordervliet – het zijn allemaal boeken die, fictief of autobiografisch, terugkeren naar de kinderjaren en naar de traditie die daar ergens naar de knoppen ging. Moeder is inmiddels dood, vader is inmiddels dood, broers en zusters zijn hun eigen weg gegaan, maar wat er nog ligt is dat familie-album, en dat wordt voor de gelegenheid van de rommelzolders der herinnering gehaald en afgestoft.

Zo keert de familie toch weer terug in de literatuur, niet als een levende realiteit maar als – ja, wat eigenlijk? Veel van de boeken nemen hun aanvang in het heden, waar iets kleins gebeurt dat het verleden wakker roept. Zo komt er naast een ik van nu een ik te staan van toen, een kind in een haast onherkenbaar oude wereld, en dan komt het erop aan weer terug te vinden hoe die beide ikken in hemelsnaam in een en hetzelfde leven kunnen passen. Het verleden blijkt na enig zoeken net iets minder vreemd dan het leek, het heden blijkt er toch nog een paar ongedachte sporen van te dragen. De twee ikken raken aan de praat, de tijden krijgen weer verband, en het gevolg is dikwijls een begin van verzoening met de loop van het leven.

Maar daaronder gaat bij sommigen een tweede doel schuil, dat overigens vaak pas aan het licht komt als de schrijver in kwestie ook essays over het onderwerp schrijft. Want als de traditie toch weer afgestoft wordt, zou het dan niet mooier zijn om die op de een of andere manier ook weer toepasselijk te maken voor het heden? Niet meteen om een grootscheepse Restauratie te beginnen of zoiets, maar toch?

Je zag die neiging in de late jaren tachtig al bij Kellendonk, die voor zijn vroege dood in 1990 nog een vergeefse poging ondernam om een archaïsch katholiek leerstelsel aan de beademing van het moderne leven te leggen. Maar de laatste jaren zie je het vooral terug in een Biedermeier-vorm, bij Nicolaas Matsier bijvoorbeeld, die in krant en tijdschrift graag mag pleiten voor het vieren van de Sinterklaas en het groepsgewijs lezen van een psalm op christelijke hoogtijdagen. Traditie in plaats van televisie, een verantwoorde tijdspassering.

Een variant daarop is terug te vinden in het werk van Robert Anker. Of hij een gedicht schrijft, een essay of een roman als Vrouwenzand, Anker laat geen kans voorbijgaan om de lof te zingen van de plattelandse kindertijd. Verzaligd kan hij schrijven over hoe het in de keuken bij zijn moeder rook, hoe hij op zijn hurken bij de sloot zat, hoe het zonlicht speelde met dwarrelend stof. De kinderjaren zijn voor hem niets minder dan een paradijs, een Tuin van Eden, een bron van alle leven en daarmee vooral een troost. Ze zijn de steun waarop hij altijd weer kan terugvallen wanneer het leven in de onherbergzame volwassenheid te zwaar wordt.

Probleem van dit soort van herlevende traditie is alleen dat het zo bitter weinig met het heden te maken krijgt. Het biedt geen antwoord op de vragen van de dag, niet eens een aanzetje daartoe, het is voornamelijk een vlucht uit het gepeins daarover. Een soezerige terugblik op het tuinpad van je vader, waar je hoge bomen kon zien staan. Je was een kind en kon niet weten dat het ooit voorbij zou gaan, maar zie, je doet je ogen dicht en daar is het alweer, de zon speelt door de takken. Het is niets anders dan nostalgie, met andere woorden, een verleden met de lusten ervan maar niet met de lasten. Een verleden uit een streekroman.

Zo ziet het er naar uit dat er voor onze literatuur geen werkelijke redding is uit de moderniteit. We zweven als gedoofde sterren door een leeg en gitzwart universum, stuurloos, instabiel, en veren op wanneer we daar zo af en toe een brok voormalige traditie of familie zien passeren, maar the centre does not hold, zoals dat lang geleden al eens werd genoemd, de brokken passen niet meer in elkaar, er valt niets meer te lijmen. Dit is waar de schrijverij het mee moet doen.

Nu wil het geval alleen dat het er in de rest van Nederland, ver van de schrijverij, heel anders uitziet. De familie is niet dood, zij leeft. Er wordt naar hartelust gehuwd en gebaard en opgevoed, alsof daar helemaal niets in de weg staat. 's Zondags zit het halve land nog altijd op de weg voor visite bij opa en oma, en wie 's zaterdags de Hema binnenloopt ziet al voor tienen jonge vaders bij de fotobalie staan, glimmend bij het eerste rolletje dat ze op de kleine hebben volgeschoten. De familie is helemaal terug – als ze ooit al is weggeweest.

Het is een raadsel. Want de individualisering dan, de atomisering, de verslonzing van de samenleving waar Roger van Boxtel als minister tegenwoordig over klaagt – al die verschijnselen waar het verlies van de traditie aan valt af te zien? Het maakt klaarblijkelijk niet uit, of het maakt wel uit maar er staat iets tegenover. Er is in elk geval iets geheimzinnigs aan de hand. Er zit op de een of andere manier een bindende kracht in het familieleven die ons tot nog toe ontgaat, die op z'n minst de literatuur ontgaat, en het zou mooi zijn als de Boekenweek zou helpen daar eens naar te zoeken. Schrijvers van Nederland, laat uw eenzelvige gepieker varen en kijk om u heen, er ligt een wereld voor u klaar, nog onontgonnen en volstrekt mysterieus.