Oefenen in verliezen

Toen ik hier een paar maanden geleden iets schreef over de Geschiedenis van de Russische literatuur van Karel van het Reve zag ik dat dit boek alweer bijna 15 jaar geleden is verschenen, en het drong tot me door dat ik het al die jaren vrijwel altijd onder handbereik heb gehad. `Ik denk dat er in die tijd geen periode langer dan drie of vier maanden is geweest', schreef ik, `waarin ik niet in die literatuurgeschiedenis heb gelezen; niet in de eerste plaats uit liefde voor de Russische literatuur, maar uit liefde voor het proza van Karel van het Reve.'

Net als bij Toergenjev (daar ging het bij die gelegenheid eigenlijk over), klinkt in het proza van Karel van het Reve een manier van spreken door die betovert. Van het Reve zelf zegt over Toergenjevs verhaal Lentewateren, dat het `zo goed is geschreven dat de lezer af en toe geneigd is de lectuur te staken', maar dat overkomt mij ook bij het lezen van Karel van het Reve zelf. Ik houd hem voor een van de grootste schrijvers die het Nederlandse taalgebied heeft voortgebracht.

Heeft u dan helemaal geen bezwaren? vroeg de jongedame die mij gisteren voor de televisie over Karel van het Reve interviewde, is er dan niets dat u niet bewondert, niets dat u niet goed vindt?

Op die vraag had ik eigenlijk geen antwoord. Het is niet dat ik het in alles met hem eens ben (integendeel, soms denk ik wel eens dat hij niets heeft geschreven dat bij mij geen discussie uitlokt), maar het is waar dat er ook vrijwel niets is waarvoor ik niet de grootste bewondering heb. Tenslotte noemde ik maar als bezwaar het feit dat het bij Karel van het Reve vaak zo moeilijk was om vast te stellen of hij meende wat hij zei. Het was niet alleen het pantser van ironie dat hem altijd omgaf, er kwam bij dat hij absoluut niet bang was om verkeerd begrepen te worden. Allerlei opvattingen die door zichzelf respecterende intellectuelen algemeen werden verafschuwd liet hij zich zonder tegenspraak toeschrijven. Hij moet er van genoten hebben wanneer niet al te snuggere mensen dan triomfantelijk victorie kraaiden en dachten dat zij hem gedwongen hadden om `kleur te bekennen'. Achteraf bleek dan altijd dat zij alleen maar hun eigen bekrompenheid hadden onthuld en zichzelf voor gek hadden gezet. Ook het feit dat sommige dingen zo simpel en voor de hand liggend zijn dat een verstandig mens ze niet in zoveel woorden hoeft te bevestigen drong vaak pas later tot zijn opponenten door.

En zo verandert ook dat bezwaar bij nader inzien in een compliment. Er is goedbeschouwd niet één discussie geweest die hij niet op punten gewonnen heeft, ook al leek hij soms weinig te weten van het onderwerp. Ook dat was opzettelijk en een pose. Van het Reve hield ervan een indruk van grote ondeskundigheid te maken. Hij pretendeerde bijvoorbeeld totaal niets af te weten van literatuurwetenschap omdat hij de betreffende boeken niet kon lezen: `daar ben ik fysiek niet toe in staat'. Hij vestigde daarmee de aandacht op het erbarmelijke proza van de beoefenaars van deze wetenschap, maar intussen bleek hij steeds wel degelijk uitstekend op de hoogte. Hij wist dan moeiteloos de contradicties en onzinredeneringen ervan aan te wijzen en belachelijk te maken.

Ook in de discussie over de evolutieleer wist hij die indruk te maken van een naïeve onwetende die niet meer doet dan vragen stellen over merkwaardige complicaties die hij niet begrijpt; en wat er dan, nadat al het stof is neergedaald, van overblijft zijn onvergetelijke conclusies als: de schutkleur van dit dier heeft de functie hem voor zijn vijanden onzichtbaar te maken, terwijl de witte staart zijn jongen in staat stelt hem van ver te kunnen zien. Zulke dingen hebben de eigenschap in de herinnering te blijven hangen als gevolg van hun komisch effect, zoals ook de redenering, die in zoveel woorden voorkomt in een van de boeken van Lorenz, dat de kleurenpracht van de koraalvisjes wel een functie moet hebben, al weten wij nog niet welke, omdat zij anders niet zou bestaan.

Hollands

Het opmerkelijke van het schrijven van Karel van het Reve is dat een zekere Hollandse traditie van gewoon doen en weigering zich te laten imponeren door ronkende taal en holle woorden er voorname bestanddelen van zijn. In de vorm die het bij hem heeft is dat geen beperktheid of botheid, maar een werkelijk te respecteren kwaliteit. Karel van het Reve is de meest Hollandse schrijver die ik ken. Hij heeft die typisch Hollandse nuchterheid, grenzend aan achterdocht, maar in de gedaante van een kritische instelling gepaard aan een superieur gevoel voor humor en een uitzonderlijke internationale belezenheid, zoals bij geen andere Nederlandse schrijver wordt gevonden, met de mogelijke uitzondering van Kees Fens.

Karel van het Reve schreef over Toergenjev dat deze `van de grote Russische schrijvers de geleerdste en de verstandigste was'. Hij noemt de talen die Toergenjev beheerste en wijst op het feit dat hij `vrij goed thuis was in de literatuur van die talen. Hij wist heel wat meer af van geschiedenis en filosofie – en liet zich er voorzichtiger over uit – dan bijvoorbeeld Dostojevski en Tolstoj – om van Gogol te zwijgen.'

Al deze dingen kunnen ook gezegd worden van Karel van het Reve zelf, en het is niet moeilijk de namen in te vullen van de Nederlandse schrijvers die dan in de plaats komen van de Russische. Ook hiervan geldt dat dit op het tijdstip zelf blijkbaar onzichtbaar is; ongecompliceerde helderheid heeft geen prestige naast allerlei duisterheden en geworstel met schijnproblemen, en blijft in de schaduw.

Een waar monument wat dat betreft is Van het Reve's Geschiedenis van de Russische literatuur, een volkomen oorspronkelijk boek waarin allerlei methodologische ballast, indeling in `stromingen', en het gevreesde `interpreteren' totaal ontreken. Geen Foucault, geen Derrida en soortgelijke onzin die het meeste van wat er nu in omloop is binnen afzienbare tijd achterhaald en onleesbaar zal maken, terwijl een boek als deze Russische literatuurgeschiedenis blijft, niet alleen om de eruditie en het feitenmateriaal, maar omdat het zelf een kunstwerk is, een boek dat je niet leest om er wijzer van te worden (al word je dat juist wel) maar omdat het lezen ervan een genieting is.

Een van de opmerkelijkste bestanddelen van Karel van het Reve's originaliteit is zijn visie op de werkelijkheid. Waar komt die vandaan? Op zo'n vraag is eigenlijk geen antwoord, maar over wat het is bestaat een heel amusante en verhelderende passage van Hans Ree. Deze beschrijft Karel van het Reve's eerste reis naar Rusland, in 1948, als Russische leermeester van Max Euwe en als tolk van een gezelschap Nederlandse schakers.

Deze zeer onderhoudende tekst staat in Uren met Karel van het Reve, verschenen bij Karel van het Reve's 70ste verjaardag in 1991. In het gezelschap bevond zich de Amerikaan Reshevsky, die min of meer werd opgenomen in de Nederlandse schakersploeg. Omdat Euwe zijn vrouw had meegenomen wilde Reshevsky dat ook allerlei onkosten in rekening werden gebracht voor mevrouw Reshevsky, hoewel het niet eens zeker was dat die bestond. Zo werden allerlei bedragen met grote zorg berekend, want hoewel het om fictieve diensten ging mochten er geen inconsistenties op de rekening staan. `We mogen wel aannemen', schrijft Hans Ree, `dat dit onderzoek grote indruk op Karel van het Reve heeft gemaakt en zijn literatuuropvatting beslissend heeft beïnvloed. Hier werd wel heel indringend duidelijk gemaakt dat het er niet toe deed of een tekst overeenkwam met de werkelijkheid en een waarheidsgetrouw beeld gaf van het karakter van de echte mevrouw Reshevsky, zo die al bestond. De rekening moest als kunstwerk op zijn interne merites beoordeeld worden.'

Beginsel

Een andere bron van Van het Reve's opvattingen over de kunst en techniek van het schrijven is te vinden in zijn roman Nacht op de kale berg (1961). Dit boek bevat hier en daar bijna een beginselprogramma van de manier van schrijven die Van het Reve zelf beoefent – of zou gaan beoefenen, want hij had op dat tijdstip pas één boek gepubliceerd; de meeste van de negentien die er nu bestaan moesten nog geschreven worden.

Zo schrijft de hoofdpersoon Joop een dagbladcolumn, die als volgt wordt beschreven: `Joop werkte vooral met een soort brutale naïveteit. Over de meest gewone dingen weidde hij met grote ernst uit, om de volgende keer met dezelfde ernst een zaak van veel groter belang te behandelen. Hij gaf daarbij details die meestal niet in een krant komen, zoals de bedragen die hij in winkels voor bepaalde artikelen betaald had; ook bekende hij soms met een aan cynisme grenzende openhartigheid zijn eigen onwetendheid, juist waar het dingen betrof die iedereen geacht wordt te weten...'

Op vertrouwd terrein zijn we ook wanneer Bram, de andere hoofdpersoon, observeert dat Joop in zijn vertogen soms merkwaardige, cryptische uitspraken inlast, die hij niet begrijpt: `Ik vermoedde dat we hier met citaten te doen hadden... Hij keek me als hij zoiets zei tenminste aan met een bizondere, ernstige blik van verstandhouding...'

Zulke citaten komen ook bij dozijnen in Karel van het Reve's boeken voor – veel passages uit het werk van Willem Elsschot, en ook andere van zijn bekende stokpaarden worden in dit boek al bereden, zoals het betreurenswaardige feit dat sommige mensen niet weten dat Vistula een andere naam is voor Weichsel of zich niet ontzien om woorden te gebruiken als symptoombestrijding.

Zeventien jaar later zou hij een hele serie essays schrijven over zulke populaire opvattingen, gebundeld als Uren met Henk Broekhuis (1978). De hoofdstuktitels alleen al zijn onvergetelijk en illustreren wat Van het Reve zijn leven lang heeft beziggehouden: de manier waarop belangrijke denkbeelden in de praktijk worden opgevat, de clichés die in de plaats komen van die denkbeelden zelf.

In de opvatting van Van het Reve verdwijnt de werkelijkheid achter een soort gordijn van literatuur. Dat bleek mij ook heel duidelijk bij gelegenheid van het zogeheten `China-debat', waarbij behalve Karel van het Reve ook Renate Rubinstein en ikzelf waren betrokken en waarover boeiende verhalen zouden zijn te vertellen.

In dat licht is ook opmerkelijk hoe in een roman als Nacht op de kale berg een liefdesdrama wordt beleefd: iemand die van meet aan weet dat zijn liefde vergeefs is, dat er niet van hem gehouden zal worden, en die daarom een soort gigantisch alibi construeert. Het is, geloof ik, een oefening in verliezen. Weliswaar als een spel en met veel ironie, maar het is au fond de doordachte en nauwgezette exploratie van een onheilsscenario, alsof de schrijver zich in een gedachtenexperiment tot taak had gesteld alle denkbare consequenties van het échec in de liefde te achterhalen, om er op voorbereid te zijn en ze onschadelijk te kunnen maken.

Ook deze roman bevat, zoals alle andere boeken van Karel van het Reve, vele passages die ik na één keer lezen uit mijn hoofd kende. Een ervan is: `Mijn gedachten werden zeer helder, ik herinnerde me onze hele reis hierheen. Dingen die ik in de loop der jaren gezegd had en die niet meer goed te maken waren kwamen mij woordelijk voor de geest, en ook enkele gestorvenen herinnerde ik mij duidelijk.'