Nikolaj Berdjajev: Sinn und Schicksal des russischen Kommunismus, 1937

Lang werd de Oktoberrevolutie afgeschilderd als ofwel een ordinaire staatsgreep ofwel een heuse revolutie. De macht in Rusland werd in oktober 1917 immers gegrepen door een handjevol bolsjevieken, dat vervolgens een maatschappelijke omwenteling wist te realiseren. De aanhangers van `Oktober' als revolutie hamerden op de structurele betekenis ervan, in de hoop een legitimatie te vinden voor hun pretenties buiten Rusland. De theoretici van de putsch beperkten `Oktober' tot een simpele coup, zodat de strijd tegen het socialistische bewind een bevrijdend karakter kreeg.

Beide scholen dachten gelijk te hebben. De Koude Oorlog leek hen in dat gelijk te bevestigen. Twintig jaar na `Oktober' schetste de Russische filosoof Nikolaj Berdjajev niettemin reeds een perspectief waarin de omwenteling veel complexer werd geduid. In zijn Sinn und Schicksal des russischen Kommunismus uit 1937 (een jaar later in Nederland verschenen onder de al te droge titel Beteekenis en oorsprong van het Russische communisme) is het al in de eerste zin raak. `Het Russische communisme heeft een dubbel karakter. Enerzijds is het een internationale verschijnsel, anderszijds echter een puur Russisch fenomeen. Daarom is kennis van het marxisme alleen niet toereikend om wezen en aard van het Russische communisme te begrijpen. Wil men daarin dieper doordringen, dan moeten ook zijn nationale wortels worden blootgelegd en zijn oorsprong in de Russische geschiedenis verklaard.'

Berdjajev was zeker niet de eerste die zich met de revolutie bezighield. Emigranten uit sovjet-Rusland vulden al veel langer de boekenkasten. Maar ze konden vaak niet loskomen van de nederlaag van de `witten' in de burgeroorlog, en bleven uitgaan van een eendimensionaal perspectief of richtten hun pijlen vooral op de `fellow travellers'. In 1929 tekende en schreef Hergé in deze sfeer Kuifje in het land van de sovjets (afgelopen maand herdrukt). De jonge verslaggever en zijn hondje ontpopten zich als `cold warriors' avant la lettre. Aan de andere kant stond het denken evenmin stil. In Duitsland schreef Rosa Luxemburg in 1918 een kritisch maar loyaal pamflet. In Frankrijk volgde Boris Souvarine een klein decennium later met een consequentere aanval. En in Nederland publiceerde Jacques de Kadt in 1935 zijn Van tsarisme tot stalinisme. Maar op de keper beschouwd waren dat toch studies van `afvalligen' die moeite bleven houden met de historische continuïteit van Lenin naar Stalin. Berdjajev daarentegen had van zulke persoonlijke belangen geen last. Hij was nooit `rood' of `wit' geweest. Zijn intellectuele leven had in het teken gestaan van de moeizame brug tussen humanisme en christendom.

Geboren in 1874 in een aristocratisch gezin te Kiev, was Nikolaj Aleksandrovitsj Berdjajev voorbestemd een steunpilaar van het tsarisme te worden. Maar hij brak met deze opdracht. Hij werd een `legale' marxist, een adjectief waarmee men zich in de tweede helft van de negentiende eeuw kon onderscheiden van de Russische `revolutionairen' die hun kaarten wilden zetten op de veelal gewelddadige `vrije wil' als vroedvrouw van de geschiedenis.

Het fiasco van de `revolutie' van 1905, die een uitbarsting van geweld liet zien en vervolgens doodliep, opende hem de ogen. Geïnspireerd door de leer van het personalisme, dat een individueel Gods- en waarheidsbesef zocht, riep Berdjajev de vraag op waaróm de politieke cultuur in Rusland in de eigen staart beet. Kort samengevat luidde zijn antwoord dat het marxisme in Rusland consequent en bewust verkeerd werd begrepen. Dialectiek en materialisme waren er door de intelligentsia, die nooit met doch alleen namens het volk sprak, tot een bord pelmeni (deegnoedels) gekneed, gevuld met oude Russische tradities. Het objectiverende gedachtegoed van Marx werd met Russische pathos `geïdealiseerd' tot een `mystiek' wereldbeeld waarin God was vervangen door het Proletariaat. `Oktober' illustreerde deze analyse scherp.

In 1922 moest Berdjajev zijn vaderland verlaten. Hij vestigde zich in Berlijn en later in de buurt van Parijs. Daar schreef hij zijn Sinn und Schiksal des russischen Kommunismus, een boek waarin zijn eerdere politiek-filosofische noties samenkwamen in de conclusie dat de revolutie de `vergelding' was voor eeuwenoude `zonden'. Volgens Berdjajev hadden de bolsjevieken hun wortels in de harde kern van de Russische geschiedenis: zoals het mongoolse karakter van het Moskovische rijk, het messianisme van de orthodoxe kerk, de maatschappelijke spanningen die de hervormingen van Peter de Grote hadden opgeroepen en het intellectuele debat tussen `westerlingen' en `slavofielen' die veel meer op elkaar leken dan ze in hun onderlinge polemiek wilden toegeven. Steeds ging het om `nu-of-nooit'.

Net als de intelligentsia was ook Lenin – door zijn `praktische levensinstelling' en `zijn neiging tot nihilisme op morele grondslag' een `typische Rus' – te ongeduldig om te wachten op de economische ontwikkelingen (lees: de weg uit de horige feodaliteit richting burgerlijk kapitalisme) om pas daarna de arbeidersklasse gestaag te mobiliseren. Marx moest stante pede op de troon. Het Russische marxisme werd zo een seculier-religieuze leer die zich bediende van manicheïstische vijandbeelden en geen ruimte bood aan een individueel streven naar de waarheid. Het liet zich liever drijven door `haat en ressentiment'. Kortom, het werd `totalitair'.

Dat bleek een enorme kracht. Niet alleen in theorie maar ook in de praktijk. Volgens Lenin was de achterstand van Rusland bijvoorbeeld juist een voordeel. Door het ontbreken van een stabiele bourgeoisie zou de revolutie niet hoeven afrekenen met een burgerlijke klasse voor wie een overwinning op de feodaliteit wel genoeg was. In 1917 kreeg Lenin gelijk. Cruciaal was zijn leuze `alle grond aan de boeren'. Die appelleerde aan een diep geworteld besef: namelijk dat de grond in Rusland niet van de mens is maar van God. `Het succes van Lenin lag daarin dat hij de twee grote lijnen uit de Russische traditie verenigde: die van de Russische revolutionaire intelligenstsia in haar radicaalse stromingen en die van de Russische macht in haar verschijningsvormen', aldus Berdjajev. Lenin werd zo de architect van een soort boeren-socialisme. Stalin, de `moderne oriëntaalse dictator', zou het werk afmaken. Door de tsaristische latifundia te collectiviseren, wist hij in één klap de stap van de `oude naar de nieuwe middeleeuwen' te zetten.

Berdjajev concludeerde: `Het bolsjevisme is de derde verschijning van het Russische imperialisme, van het grote Russische Rijk dat eerst in het Moskouse keizerrijk en daarna in het Petrinische imperium bestond. In deze zin is het bolsjevisme een synthese van Ivan de Verschrikkelijke en Marx. (...) In het bolsjevisme voltrok zich de wil tot macht met het streven naar sociale gerechtigheid, waarbij de machtswil het verlangen naar waarheid heeft verdrongen'. Zelfs het idee dat Moskou eigenlijk het derde Rome is (omdat het Vaticaan en Constantinopel de aanspraken daarop hadden verkwanseld), een idee dat steeds in apocalyptische stemmingen was blijven steken, kreeg ineens weer gezicht. `In plaats van een derde Rome realiseerde Rusland de derde Internationale', aldus Berdjajev.

Voor Berdjajev als christen en personalistisch-socialist was die conclusie een nagel aan zijn doodkist. Maar dat weerhield hem er niet van het (boeren)communisme een langduriger toekomst te voorspellen dan het fascisme. Want terwijl `het kapitalisme de mens aan economie en geld had opgeofferd', had het Russische communisme met zijn aanspraken op rechtvaardigheid een verbinding gelegd met de christelijke tradities in Rusland – hoe blasfemisch en rancuneus die variant op `niet bij brood alleen' ook was.

Berdjajev kreeg na zijn dood in 1948 driewerf gelijk. Eerst in China en andere agrarische maatschappijen waar de communisten naar marxistisch-leninistisch concept de macht wisten te grijpen. Vervolgens in het Westen, waar men het brood rechtvaardiger ging verdelen en zo de communisten wind uit de zeilen nam. En uiteindelijk weer in Rusland, waar `jonge democraten' – nadat het, ten dele conform Berdjajevs prognose, verburgerlijkte communisme in elkaar was geschrompeld – de geschiedenis gingen overdoen door niet met, maar louter namens de burgers politiek te bedrijven. Ze volgden zo een inmiddels vergeten 19de eeuwse revolutionair, die ooit actief was geweest in de terroristische organisatie `Volkswil' en Lenin had geadviseerd lekker mee te werken aan een `vroegkapitalistische roof-economie' teneinde zo zijn eigen voedingsbodem te scheppen.

Nikolaj Berdjajew: Sinn und Schiksal des russischen Kommunismus. Ein Beitrag zur Psychologie und Soziologie des russischen Kommunismus. Vita Nova Verlag/Luzern, 1937.