Niets blijft, alles vergaat

Jasperina de Jong gaat de twee zusjes Anna zingen in `De zeven doodzonden' van Brecht.

Het is een van de merkwaardigste stukken die Bertold Brecht en Kurt Weill hebben gemaakt en Jasperina de Jong gaat het zingen, maandag voor het eerst, in Carré in Amsterdam. Die sieben Todsünden der Kleinburger. Het gaat over twee meisjes die samen zeven jaar door Amerika reizen om geld te verdienen voor ein kleines Haus aan de Mississippi, voor de familie. En ondertussen laten ze zien hoe die zeven doodzonden – luiheid, trots, boosheid, mateloosheid, ontucht, hebzucht, afgunst - overwonnen kunnen worden.

Maar die meisjes, dat is het rare, zijn eigenlijk één meisje, met één verleden,één toekomst en één spaarbankboekje. Ze zijn twee kanten van een gespleten persoonlijkheid. En ze kunnen 's morgens allebei hun bed niet uitkomen.

Mijn zusje is mooi, ik ben praktisch.

Mijn zusje is getikt, ik ben bij mijn volle verstand.

Ga dat maar eens uitbeelden.

Jasperina de Jong: ,,De tekst is heel raadselachtig, je kunt het niet begrijpen. Ik heb van alles over Brecht gelezen, maar die man heeft er nooit een woord over gezegd.''

Ze weet alleen dat de opdracht voor het stuk, eigenlijk een ballet, van Edward James kwam en dat Brecht er helemaal niets in zag - iets doen over een gespleten persoonlijkheid. Maar Brecht had geld nodig, en Kurt Weill ook. Dus maakten ze het, in een week. ,,Het is zulke mooie muziek'', zegt Jasperina de Jong. ,,Het is klassiek geworden.'' Ze kan niet wachten om met de voorstellingen te beginnen.

De Jong luisterde naar opnamen van andere zangers om een beetje een idee te krijgen hoe ze dat zou gaan aanpakken om Anna I en Anna II – zo heten die twee meisjes – tegelijk te zijn. ,,En dan hoor je dat Anna II meestal heel timide wordt gezongen. Ja Anna. Goed Anna. Maar ze is helemaal niet timide.''

Voorbeeld. Het gaat over de vijfde doodzonde, de ontucht. Anna I vindt in Boston een rijke minnaar, Fernando. Hij betaalt haar goed, met sieraden en mooie kleren. Anna II heeft ook een minnaar, maar zij betaalt hèm – met die sieraden. De zusjes krijgen ruzie. Anna I zegt tegen Anna II dat je niet zwischen zwei Stühle in moet gaan zitten. Helaas, zingt Anna I dan, ziet ze Fernando daarna nog vaker. (Helaas omdat ze het eigenlijk niet wil. Maar het vlees is zwak.) Anna II ziet ze samen in een café zitten, ze stort zich op haar zuster en ze toont haar uit woede haar witte achterste, mehr Wert wie eine kleine Fabrik.

Niet erg timide, inderdaad.

,,Dat gebeurt dus allemaal innerlijk'', zegt Jasperina de Jong. ,,Het is echt heel raar.''

En vraag haar eens hoe ze dat nou dóet, twee Anna's zingen. ,,Lieve schat'', roept ze dan. ,,Dat weet ik niet. Ik laat het zien. Ik laat het hópelijk zien, volgende week.''

Daarna pakt ze de tekst en doet ze het voor. ,,Und dem bezahlte sie, und auch aus Liebe, dat zing ik zacht. En ohne Treue moet weer stevig, en zwischen zwei Stühle...'' – haar stem schiet naar boven – ,,doe ik wanhopig. In godsnaam, begrijp het nou toch. En dan wordt ze gek hè. Dan laat ze haar blote reet zien. En dat zegt ze allemaal tegen zichzelf. En toch ook tegen haar zuster. Ja, hoe doe je dat?''

Ze schatert. ,,Ach kind, ik heb het er zo moeilijk mee.''

Ze neuriet het laatste couplet van het lied over de ontucht. Over hoe moeilijk het is om afscheid te nemen van Fernando en het goed te maken met Edward (die andere). En die lange nachten waarin ik mijn zusje hoor huilen en zeggen: het is goed zo, Anna, maar het is zo moeilijk. ,,Dat moet'', zegt Jasperina de Jong, ,,heel zacht en heel droevig.''

Nee, ze vindt Anna geen vrouw om zich mee te identificeren. ,,Ik zou niet weten wat voor vrouw het eigenlijk is.'' Het hele stuk is trouwens te raadselachtig om de luisteraar de kans te geven om zich ermee te identificeren. De familie van Anna wordt gezongen door een mannenkwartet. De moeder is een bas.

Zat

In 1991, op haar drieënvijftigste, hield ze op met werken. ,,Ik doe het nooit meer'', dacht ze. Ze was ruim dertig jaar cabaretière geweest, ze werd beroemd met Lurelei, met Fien, met De Engel van Amsterdam, met haar eigen shows. Maar ze was het ongelooflijk zat om dertig mensen in dienst te hebben en altijd te moeten nadenken over het vólgende seizoen. En, zegt ze, ze had een hekel gekregen aan zingen. Ze was moe.

Ja, waarom.

,,Dan ga je het toch weer hebben over het sterven van mijn man'', zegt ze. Het is het laatste waar ze over wil praten, maar ze kan er niet omheen. Haar man, de tekstschrijver en cabaretier Eric Herfst, overleed in 1985, nadat hij meer dan vijftien jaar ziek was geweest. De jaren daarna werkte ze heel hard, misschien wel te hard, om zichzelf staande te houden. En het zou, zegt ze, best kunnen zijn dat ze dat harde werken niet meer volhield toen het niet meer zo erg nodig was.

Maar in 1995 begon ze weer. Ze werd gevraagd om mee te doen aan een voorleesdag van werk van Annie M.G. Schmidt. Toen ze het podium opkwam en de zaal inkeek dacht ze: hè, lekker. Ze schrok wel een beetje van een cartoon van Peter van Straaten, de volgende dag in Het Parool. Dame, op de rug gezien, staat voor een zaal met een paar mensen erin en zegt: leuk dat u er weer allemaal bent.

Rond diezelfde tijd zag ze op de BBC een stuk van Alan Bennett, Talking Heads, over een juffrouw op kantoor die over haar leven vertelt en hoe goed iedereen haar vindt - maar dan zo dat het publiek weet: dit klopt niet. ,,Zo prachtig, zo ontroerend. Ik dacht: dit wil ik ook. Het was toeval dat ik het zag. Maar het was alsof het zo moest zijn. Zo móest het ook zijn, geloof ik.''

Ironisch: ,,Het is het enige geloof dat ik heb. Dat de dingen soms moeten zijn zoals ze zijn.''

Daarna wilde ze toch weer zingen. Ze wilde een tour-de-chant doen, ,,waarom weet ik niet meer'', met oud en nieuw repertoire, liedjes van Ivo de Wijs. ,,Het duurde maar een week voordat mijn stem weer terug was.''

Zingen

Sindsdien wil ze eigenlijk alléén nog maar zingen. Liederen van Weill, Eisler en Dessau, vorig jaar met het Metropole Orkest. Het muziektoneelstuk Lang leve de opera met de bariton Lieuwe Visser – zij in de rol van koele, nuchtere, hardwerkende muziekrecensente. En ook nog de musical Heerlijk duurt het langst van Annie M.G. Schmidt en Henk Banning. Die loopt nog steeds. ,,Ik weet niet wat me bezielt'', zegt ze. ,,Ik vind het weer zo leuk.''

Meteen erachteraan, alsof ze een treinvertraging aankondigt: ,,Laatste oprisping.''

Ze is een nieuw leven begonnen, zegt ze. ,,Het kan dus.'' Als ze nu moe is kan ze twee dingen doen. Stretch-oefeningen. Of zingen. Zingen helpt het best. ,,Het heeft niets te maken met ik zal de wereld eens even kond doen. Het is lichamelijk prettig. Ik krijg er energie van. Je gebruikt je hele lijf.''

Wat ze wel eens heeft: dat ze op het podium staat en opeens denkt, wat raar, iedereen zit naar me te kijken, ik heb dit ooit gewild en het is me gelukt. ,,Nee, ik krijg daar niet de zenuwen van. Die heb ik alleen als ik niet goed ben voorbereid. Of als ik het gevoel heb dat ik wat ik doe niet beheers. Niets zo erg als naar iemand luisteren die het niet beheerst.''

Nu denkt ze niet meer aan ophouden. Ze denkt misschien wel wat vaker aan haar eigen eindigheid, bijvoorbeeld toen ze laatst een nieuwe verwarmingsketel bestelde voor haar buitenhuis. ,,Zo'n ding gaat vijftien jaar mee. Ik dacht: dit is waarschijnlijk de laatste die ik koop. Maar ik zet het van me af. Je wordt er miesj van. En verder is het iets dat je allang weet. Alles is veranderlijk. Niets blijft. Dat heb ik altijd in mijn vaandel gedragen. Ik werd lang geleden eens geïnterviewd door Michel van der Plas, voor Elsevier. Ik weet nog dat ik zei: nu gaat het heel leuk, maar als ik veertig ben, kan het allemaal voorbij zijn.''

Ze kijkt ernstig. ,,De school waar ik op zat, de kerk waar we vroeger heen gingen – allemaal weg. Ik kan het niet uitstaan. Er is zo'n boek van een Poolse fotograaf, Boris Vishniak, A vanished world. Foto's van Poolse getto's, er is helemaal niets meer van over. Van de wereld waarin ik ben opgegroeid is ook niets meer over.''

Opeens zet ze haar handen als een luidspreker voor haar mond en ze zingt: ,,Morgen is het allemaal voorbij. Morgen denkt u geen seconde meer aan mij. En morgen...'' – ze onderbreekt zichzelf – ,,hoe was het ook al weer? En morgen denk ik ook geen seconde meer aan u. Er zat nog wat tussen, maar dat weet ik even niet meer. Het was een liedje, dat had ik gevraagd aan Ivo, om dat voor mij te maken. Dat zong ik als het publiek ging applaudisseren. In Nederland gaan de mensen ook altijd staan bij het applaus. Vreselijk. Je denkt: ga nou toch weg, kom, hou op. Dus als het me lang genoeg had geduurd, dan zong ik dat.''

Geen diva-neigingen.

,,Wat zijn dat? Nee, die heb ik niet. Ik ben geen operazangeres. Maar dat is ook wat heel anders hè. Ik zing door een microfoon. Operazangeressen moeten altijd zo hard. Die moeten over een heel orkest heen komen. Dat maakt ze denk ik wat gevoeliger. Wat minder relativerend.''

Ze lacht even. ,,Ik relativeer wel, maar ik relativeer mezelf niet weg hoor. Ik mag er best wezen.''

`Die sieben Todsünden en songs van Kurt Weill' gezongen door Jasperina de Jong. 8 maart in theater Carré, daarna tournee. Inl. Impresariaat Gislebert Thierens, tel. 020 6750966