Matthäus en de Nederlandse volksaard

Is er over de Matthäus-Passion van Bach nog wel iets nieuws te vertellen? De redactie van het boek De Matthäus-Passion - Honderd jaar passietraditie van het Koninklijk Concertgebouworkest geeft in veertien grondige en nieuwe studies het antwoord op die vraag. Geen ander land kent een passietraditie als Nederland. Uit het feit dat zelfs een toeristengids de Matthäus-manie ooit vermeldde als symbool van de Hollandse volksaard, blijkt eens te meer het belang van een studie naar haar achtergronden.

Hoewel het Concertgebouworkest de Matthäus-Passion al in 1891 voor het eerst uitvoerde, is het terecht dat tot dit jaar werd gewacht met het uitbrengen van het bijzonder verzorgd vormgegeven jubileumboek. Julius Röntgen liet het Concertgebouworkest weliswaar met Bachs passiemuziek kennismaken, de traditie begon bij Willem Mengelberg. In 1899 dirigeerde hij zijn eerste Matthäus-Passion met het Concertgebouw Orkest en het Amsterdamse Toonkunstkoor. Totdat zijn positie in 1945 onhoudbaar werd, ging er maar één jaar (door ziekte) voorbij zonder `Mengelberg-Matthäus'. De traditie die Mengelberg begon, kwam niet uit de lucht vallen. Al in 1874 zong het Toonkunstkoor haar eerste Matthäus onder Johannes Verhulst, die als leerling van Felix Mendelssohn in directe lijn stond met diens herontdekking van de passiemuziek in 1829. In navolging van Verhulst en Mendelssohn kortte Mengelberg de Matthäus drastisch in. Het kwam hem te staan op uitvoerige kritieken in `meters krant': er was onvoldoende sprake van `de vrome wijding die dirigent en uitvoerenden moet bezielen bij een werk zoo grootsch en verheven`. Componist/criticus Matthijs Vermeulen laakte vooral de slepende tempi en de vele coupures. `Reduceer het Christus-tempo tot eene normale `wijding` en goddelijkheid en gij wint genoeg tijd een groot gedeelte der coupures weder in te lasschen.` Maar vaak werden dergelijke bezwaren teniet gedaan door 'een te groote plicht tot dankbaarheid voor de waarachtige schoonheid' van Mengelbergs vertolkingen. Hij handhaafde zijn visie tot de laatste snik in 1944.

De invloed van Mengelberg op de Matthäus-traditie van het Concertgebouworkest kan nauwelijks worden onderschat, zo blijkt ook uit de bijgeleverde cd met fragmenten onder Mengelberg (1939), Van Beinum (1958), Jochum (1970), Harnoncourt (1985) en Chailly (1999). Zowel Mengelbergs opvolger Eduard van Beinum als Eugen Jochum, die de fakkel na van Beinums plotselinge overlijden in 1959 overnam, zetten de romantische traditie-Mengelberg voort.

De definitieve omslag naar een meer historiserende uitvoering volgde pas na Jochums afscheid. Nikolaus Harnoncourt, representant van het `authentieke kamp', leidde in 1975 Bachs Johannes Passion met het Nederlands Kamerkoor en een tot 29 musici uitgedund Concertgebouworkest. Met de komst van Harnoncourt kwam een einde aan de jaarlijkse Matthäus-traditie én aan de ideologische krater tussen Naarden, thuishaven van de naar zuivere en objectieve vertolkingen strevende Nederlandse Bachvereniging, en Amsterdam, voormalig centrum van de romantische Mengelberg-traditie, door de tegenpartij smalend afgedaan als `vervalsching'. Harnoncourt brak met de romantiek, eiste extra repetitietijd om de musici te wennen aan een barokke speelwijze en oogstte een tevreden publiek en veelal opgetogen kritieken.

Met het besluit van Riccardo Chailly de Matthäus-Passion dit jaar te dirigeren, wordt de traditie van jaarlijkse uitvoeringen op Palmzondag door het Concertgebouworkest onder haar chefdirigent hersteld. Het interview van de musicoloog Christian Martin Schmidt met Chailly over diens visie op de Matthäus, biedt een boeiende inleiding op diens Amsterdamse Matthäus-debuut, komende Palmzondag. Chailly, gelauwerd om zijn opera-directies, neemt de innerlijke tragedie van de mens als uitgangspunt en wil de expressie van de tekst centraal stellen: `De Matthäus gaat alles te boven. (...) Als ik mijn standpunt zou moeten verwoorden zou het zo zijn: De interpreet is het medium en draagt de emotie van de muziek over op de luisteraar'. De parallel met de geciteerde visie van Mengelberg is frappant: `De interpretator is het medium tussen het werk en het publiek; hij is priester en onderwijzer tegelijkertijd.' Anders dan Mengelberg wil Chailly geen priester zijn, maar hij gaat wel van diens partituur uit en trekt daarmee ook inhoudelijk een lijn terug in de historie.

Die geschiedenis is in dit boek vanuit verschillende invalshoeken uiteengezet. Dat de opzet in losse verhandelingen van verschillende auteurs soms inhoudelijk tot doublures heeft geleid, is daarbij nauwelijks een bezwaar. De opgenomen musicologische studies over achtergrond, tekst, vorm en interpretatie van de Matthäus Passion bieden een welkom historisch kader. In combinatie met de cd schetst het boek een even verzorgd als toegankelijk beeld van een traditie die het verdient met gegrond chauvinisme te worden gekoesterd.

C.M. Schmidt, H. Ferwerda, J. Giskes, T. de Leur en J. Straub (red.): De Matthäus-Passion. Honderd jaar passietraditie van het Koninklijk Concertgebouworkest. Thoth, 174 blz. + cd. ƒ65,-