Het Poolse bruidskleed

Groningers zijn mensen van weinig woorden, zeggen ze. Henk Woldring, een alleenstaande boer op een afgelegen boerderij ergens op het Hoogeland, is er zo een. Als hij op een dag een zo te zien opgejaagde, uitgeputte, besmeurde, schaars geklede en verwarde vrouw op zijn erf aantreft, zegt hij niks. Hij heeft haar over de akker aan zien komen strompelen, zijn hond heeft haar luid toegeblaft, zij is voor zijn voeten neergestort – maar Henk geeft geen kik. Zonder iets te zeggen draagt hij haar in zijn armen naar binnen, zet hij haar onder de douche en legt haar daarna in bed.

Zo begint De Poolse bruid, de film van Karim Traïdia over de ontluikende liefde tussen deze Henk en zijn Poolse Anna, die bij hem onderduikt, op de vlucht voor de verkrachter die haar onder valse voorwendselen naar Nederland had gelokt. Er bloeit iets op, maar Henk blijft vooralsnog stug en zwijgzaam. Er is nog steeds niet veel gezegd als, halverwege de film, Henk en Anna zich op het land bevinden. Ze hebben gewerkt, zijn moe en aan schaft toe. Met de rug tegen de trekker geleund, appeltje, zonneschijn, blauwe lucht, machtige wolkenpartijen, het uitgestrekte land in de middagstilte, zegt Henk ineens: `Van de winter lag hier overal sneeuw. Van horizon tot horizon. Sneeuw, overal sneeuw, drie weken lang. Het was een warm wit kleed voor de wintertarwe.' En, met een betekenisvolle blik op Anna: `Een bruidskleed voor het Hoogeland.'

Het heeft eerlijk gezegd wel iets potsierlijks, deze plotselinge dichterlijke ontboezeming van onze stugge Henk. Het blijkt de opmaat voor een nog dichterlijker intermezzo. Meteen na deze scène bevinden we ons binnenshuis, met de camera gericht op een ronddraaiende grammofoonplaat. Een stem zegt iets, in het Gronings, zo te horen. Het lijkt wel een gedicht. Henk staat ernaast en luistert er aandachtig naar, Anna staat naast hem en kijkt aandachtig naar zijn gezicht. Het is een rustige, beetje hese, aangedane stem die spreekt, geen studiostem. Aan het einde van het korte gedicht begint een piano te spelen, en dan klinkt dezelfde tekst nog eens, met dezelfde stem, maar nu gezongen. Het gedicht blijkt het begin te zijn geweest van een lied waarin ingetogen en met veel liefde het Hoogelandlandschap wordt bezongen - zoveel is bij eerste beluistering wel duidelijk. Intussen zien we beelden van het weidse land, van uitgestrekte akkers en machtige luchten, en van Henk en Anna die zich wel vermaken op en om de trekker en de ploeg. Hun liefde is bezegeld, dat is de bedoeling van deze scène.

De simpele tekst met opsommingen, het eenvoudige wijsje, de melancholieke stem - bij de aftiteling bleek het te gaan om 't Hogelaand van de Groninger dichter-zanger Ede Staal (1941-1986). Het is een lofzang op zijn geboortestreek, en het is ook nog eens een prachtig gedicht - maar dat dan weer omdat het geen prachtig gedicht wil zijn en ook geen lof wil zingen, maar eenvoudigweg wil opsommen. `Het is de lucht achter Oethoezen, / het is het torentje van Spiek, / het is de weg van Lains noar Klooster, / En deur Westpolder langs de diek.' Zo begint het. `Het binn'n de meulens en de moaren, / het binn'n de kerken en de börgen, / het is `t laand woar ik as kind / nog niks begreep van pien of zörgen.' Zo gaat het door, deze opsomming van hoogelandelijkheden, steeds voorafgegaan door het simpele `het is' of `het binn'n'. Het effect is wonderlijk. Natuurlijk kan het hele Hoogeland niet in woorden worden opgeroepen, maar toch: als een opsomming maar lang genoeg wordt volgehouden, wordt vanzelf de indruk gewekt dat zij samenvalt met het geheel dat zij wil beschrijven. En zo rijst uit nog een paar losse herinneringen (het is een duiventil, een dorpsstraat, het is een oude bakkerij), enkele plaatsnamen (het zijn de grote boerderijen van Warffum, Usquert en Uithuizermeeden), en enige gewassen (het is de tarwe, het is de haver, het is het koolzaad in bloei) al vanzelf een overweldigend beeld van het Hoogeland op.

Na zeventien voorbeelden lijkt Staal in de vijfde strofe verder te willen gaan met opsommen. `Het is een mooie oavend in maai' zingt hij, `een kou houst doeknekt in 't gruinlaand', een koe hoest ineengedoken in de wei. Op deze regels volgen geen nieuwe voorbeelden, maar opeens een eigen herinnering, en wel aan zijn eerste liefde: `Ik heb veur d'eerste moal verkeren, / en vuil de vonken van dien haand.' In de slotregels van het lied valt de liefde voor het Hoogeland dan als het ware samen met zijn liefde voor het meisje:

De wilde plannen dij ik haar,

komt sikkom [bijna] niks meer van terecht,

totdat de nacht van 't Hoogelaand

een donker klaid over ons legt ...

De nacht van het Hoogeland legt een donker kleed over ons: mooi beeld voor wat een nacht altijd doet én een verwijzing naar de figuurlijke deken waaronder Ede en zijn lief hun inwijding in de liefde beleven. Het roept meteen ook de sneeuw in herinnering die, in de dichterlijke visie van Henk, een bruidskleed voor het Hoogeland vormde. En zowel het donkere klaid als het bruidskleed herinnert weer aan de titel van de film, aan Anna als de toekomstige bruid van Henk.

Er zijn meer overeenkomsten tussen het lied van Staal en de film van Traïdia. Er valt wel wat voor te zeggen om het lied (het gedicht) te zien als de korte samenvatting, het hart, de kern van de film - die dan treffend genoeg niet wordt uitgesproken door een van de zwijgzame hoofdrolspelers, maar gezongen, door een buitenstaander, op een grammofoonplaat. Een wonderlijk eenvoudig en zuiver lied. Twee minuten en 24 seconden. De bijbehorende videoclip is er al, met daarin dit onvergetelijke beeld: twee verliefde mensen, lopend over een enorme akker, spelend als kinderen bijna, achter een ploeg en een tractor die onbestuurd, in de eerste versnelling, rustig verder ploegt door de klei.

Henk Woldring en Anna Kryzanowska, ze lopen daar achter die tractor als jonge ouders achter een kinderwagen.