Het grote gebod

In de morgendienst klonk bij ons de hele wet des Heren op. In de middagdienst werd altijd het grote gebod voorgelezen. Daarbij werd de formulering uit Matthëus 22 vers 37 en 38 gebruikt. ,,Gij zult den Here, uw God liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. Het tweede, daaraan gelijk is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.''

Het eerste gebod blijkt een vrijwel letterlijke herhaling te zijn van Deuteronomium 6 vers 5. Alleen wordt daar niet gezegd dat je God moet liefhebben `met geheel uw verstand', maar `met geheel uw kracht'. In Marcus 12 wordt `geheel uw kracht' weer wel geciteerd, maar blijkt `geheel uw verstand' aan hart, ziel en kracht te zijn toegevoegd. Daar moet je dus God viersporig liefhebben. Bij Lucas worden hart, ziel, kracht en verstand ook genoemd, maar merkwaardigerwijs niet door Jezus. Daar vraagt een wetgeleerde aan Jezus: ,,Wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven.'' Waarop Jezus zegt: ,,Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij.'' Waarop anders dan bij Matthëus en Marcus niet Jezus maar de wetgeleerde vervolgens het grote gebod formuleert. Ook hij voegt echter `met geheel uw verstand' toe aan het drietal uit Deuteronomium. Dat was een wetgeleerde, kortom, die het Oude Testament niet exact wist te citeren. Grote wijsheid spreekt uit het feit dat in het Oude Testament `met geheel uw verstand' ontbreekt. Degeen die het wegliet, begreep al dat iemand die z'n verstand gebruikt nooit van God kan houden.

Merkwaardig is dat het tweede gebod – gij zult uw naaste liefhebben als uzelf – in Deuteronomium niet volgt op het eerste gebod. Het tweede gebod vinden we in Leviticus 19 vers 18: ,,Gij zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn tegenover de kinderen van uw volk, maar uw naaste liefhebben als uzelf.'' In het Oude Testament blijkt het tweede gebod allerminst een staartje van het eerste gebod. Het gaat er chronologisch aan vooraf (Leviticus staat voor Deuteronomium), en wordt in een heel andere context opgevoerd. Jezus zelf ontkracht het tweede gebod als hij in de Bergrede zegt: ,,Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uw naaste liefhebben en uw vijand zult gij haten. Maar ik zeg u: hebt uw vijanden lief.''

Het is dus allemaal niet zo simpel als het op het eerste gezicht lijkt. Toch wordt er ook door Jezus aan de essentie van beide geboden niet getornd. Dat getuigt niet van groot psychologisch inzicht. Neem nu dat tweede gebod. Je moet je naaste liefhebben als jezelf. Dat impliceert dus dat je primair van jezelf moet houden. Terecht zegt Friedrich Hebbel evenwel in zijn dagboek: ,,Vaak zou mijn naaste er niet zoveel aan hebben als ik hem liefhad als mijzelf.''

Welk mens met enige zelfkennis kan van zichzelf houden? Of zou je dat tweede gebod aldus mogen interpreteren? Wie veel van zichzelf houdt, moet ook veel van zijn naaste houden. Wie zichzelf haat, hoeft zijn naaste ook niet te beminnen. Een aantrekkelijke gedachte voor alle ellendelingen in deze wereld, maar ik houd het erop dat de uitvinder(s) van het tweede gebod zo ver niet hebben doorgedacht. Die zijn er heel naïef van uitgegaan dat elk mens van zichzelf houdt. Ook Jezus heeft daar blijkbaar niet aan getwijfeld, hoewel hij in de Bergrede `gij zult uw naaste liefhebben' niet laat volgen door `als uzelf.'

In De Wetten van Connie Palmen zegt iemand tegen de hoofdpersoon Maria de Niet ,,dat hij niet genoeg van zichzelf hield om van mij te kunnen houden''. Waarop Maria de Niet in grote toorn uitroept: ,,Sinds wanneer heeft die krankzinnige dooddoener ons in de ban? Welke achterlijke idioot heeft het in de hersens van de mensen zitten stampen dat ze eerst van zichzelf moeten houden voordat ze iemand anders lief kunnen hebben? Het is de meest belachelijke, de meest domme, de meest wrede wet ever en ze regeert de twintigste eeuw. Het is rabiate nonsens. Je moet van iemand anders houden en iemand anders moet van jou houden, dat moet je niet ook nog eens zelf hoeven te doen, dat is onmogelijk. Wie houdt er nu van zichzelf zonder door een ander bemind te worden?''

Volgens Maria de Niet kun je dus pas van jezelf gaan houden als je eerst door een ander bemind wordt. Andermans liefde laat je zelfhaat wegsmelten. Of dat waar is, staat ook nog te bezien – je kunt immers ook denken: die ander houdt nu wel van mij, maar doorziet mij niet, anders zou 't met de liefde gauw gedaan zijn – maar het is toch veel minder naïef dan het gebod `gij zult uw naaste liefhebben als uzelf'. Daar kan werkelijk geen enkel verstandig mens die zichzelf een beetje kent (en dus veracht) mee uit de voeten.

Geldt dat ook voor het eerste, grote gebod? Ook dat heeft Jezus vrijwel onveranderd uit het Oude Testament overgenomen. Hij heeft er kennelijk alleen `met geheel uw verstand' aan toegevoegd. Goed, het was in zijn tijd nog niet algemeen bekend dat God niet bestaat en dat 't derhalve onmogelijk is met hart, ziel, verstand en kracht van Hem te houden, maar zou ook toen nooit iemand zich hebben afgevraagd: in welke omstandigheden heb je lief met hart, ziel, verstand en kracht?

Laatst las ik My dog Tulip van J.R. Ackerley. Al lezend werd mij steeds duidelijker dat ik hier een prachtig voorbeeld in handen had van het eerste gebod. Ackerley houdt met geheel zijn hart, met geheel zijn ziel, met geheel zijn kracht en met al zijn verstand van zijn hond Tulip. De onvoorwaardelijke liefde voor zijn hond verandert heel zijn leven. Ik heb me bij My dog Tulip zitten afvragen of ouders ooit zo onvoorwaardelijk van hun kinderen houden als Ackerley van zijn hond. Waarschijnlijk wel, maar ik heb toch nooit een boek gelezen waarin een moeder of vader zo uitbundig zijn liefde voor een kind belijdt als Ackerley voor Tulip. Zelfs in de tientallen boeken van kattenliefhebbers heb ik zo'n vurige liefde, voorzover ik mij herinneren kan, nooit gevonden.

In ieder geval kun je het eerste gebod dus ook zo formuleren. Gij zult den Here uw God liefhebben zoals u van uw hond of van uw kat houdt. Dit zal veel gelovigen als blasfemie in de oren klinken. Het zij zo. Mij gaat het er alleen maar om enig zicht te krijgen op die vorm van liefde die in Deuteronomium 6 geëist wordt. Nu begrijp ik ook beter waarom ik als kind al dacht: moet ik zo van God houden, maar dat kan toch niet?