Gruwelijke geheimen

Het eerste verhaal is meteen het gruwelijkste – weerzinwekkend is het. Op het eiland waar `mijn hartsvriend Jonathan' naartoe is gegaan en nooit meer vandaan is gekomen is het doodstil. Er beweegt niets, er zingt niets, er zoemt niets, wel liggen overal geraamtes. Er gaan vreemde verhalen over dit eiland, over de doden die er eeuwig leven, maar van leven lijkt geen sprake. Tot de zon ondergaat. Ineens zijn al die geraamtes weer dieren. En in het dagboek van de man die zijn vriend is gaan zoeken is een tekst geschreven, quasi alsof hij hem zelf geschreven zou hebben: `...ga morgen naar de rots op de zuidpunt van het eiland. Daar wacht mij een felle strijd – `Go get them, tiger!' Het is natuurlijk verstandiger om het anker te hijsen en zo snel mogelijk dit eiland te verlaten, maar als ik dat doe zal mijn hartsvriend Jonathan nooit meer huiswaarts keren.'

Het is wel duidelijk, hier is sprake van iets geheimzinnigs, van een betovering, een gruwelijk geheim. En gruwelijk zal het blijken te zijn, met dood, stank, angst en een monster. Maar natuurlijk slagen de twee vrienden erin te ontsnappen. Ze vertellen hun verhaal aan iedereen die het maar horen wil, en dat zijn er veel. `Maar altijd stond in hun ogen te lezen: Een zeeman mag vertellen wat hij wil, zolang de luisteraar maar mag geloven wat hij wil.'

Alleen mijn verhalen nam ik mee heet het boek van Sjoerd Kuyper, en het staat vol met verhalen die deels waar, deels sprookjesachtig zijn. Sprookjes zeggen in dit boek veel over de werkelijkheid. Zo is de Grote Heks niet alleen een levensgevaarlijke vrouw die zich kan veranderen in verleidelijk mooie meisjes of in snelvliegende vogels en die je bijna niet kunt bedriegen omdat ze je overal weet te vinden – ze is ook het symbool voor de religieuze dictatuur en de geheime politie van Iran, het land waaruit de verteller van de sprookjes is gevlucht. Hij wacht in Nederland al twee jaar op antwoord op de vraag of hij mag blijven. Op zichzelf al een akelig sprookje.

De vertellers in dit boek hebben dikwijls inderdaad niet veel meer dan verhalen meegenomen uit hun geboorteland. De Vietnamese vrouw die maar niet kan wennen aan Nederland heeft romantische, bescheiden sprookjes bij zich, waarvan er een heel verdrietig afloopt, maar ze heeft eigenlijk niemand meer om die sprookjes aan te vertellen. Haar dochter is vernederlandst, die vindt het maar een melig onzinverhaal, dat van die twee broers die zo op elkaar leken dat ze dezelfde vrouw beminden. Maar die vrouw dacht dat er maar één broer was en trouwde met hem. De andere broer moest kijken naar het geluk dat zijn hart brak.

Het is een lichte en onnadrukkelijke manier die Sjoerd Kuyper hier gekozen heeft om iets te zeggen over vreemd zijn in een land en over de ellende van weg te moeten uit je eigen land. Alleen mijn verhalen nam ik mee is een mooi sprookjesboek, met een boodschap die soms iets te veel aan de oppervlakte komt maar die meestal wel goed verwerkt is. Het verhaal van Gajes, de enige echte Nederlander bijvoorbeeld, is een beetje eenvoudig en simpel (Gajes is een domme rotzak die eigenlijk geen buitenlanders in Nederland wil en die daarmee zijn leven verprutst). Maar er is ook een mooi en geheimzinnig verhaal dat zich gedeeltelijk in de duinen bij Bakkum afspeelt en dat gaat over de tijd – een verhaal dat in de verte doet denken aan Kuypers ook al zo geheimzinnige en spannende boek De rode zwaan. En Kuyper kan schrijven, dat is wel heerlijk. Hij is stoer, grappig, precies en beeldend. `De tijd was hem met zwaar materieel te lijf gegaan'. `Ze zeemde het raam tot het glanzend als een goudstaaf in de muur stond'. `Zijn hand paste in de hare als een slapende bloem in zijn knop'. Mits goed gedoseerd, en dat is hier het geval, zijn zulke zinnen feestelijk om tegen te komen.

Sjoerd Kuyper: Alleen mijn verhalen nam ik mee. Leopold, 100 blz. ƒ24,90