Gonzo aan de macht

Hunter Thompson schreef in 1971 een wilde novelle die werd opgenomen in de literaire canon van de jaren zestig en vele herdrukken beleefde. De verfilming draait volgende week in de bioscoop. Maar hoe leuk is het gedrogeerde superioriteitsgevoel van de sixties dertig jaar later nog?

Als een boek geluid kon maken, zou Fear and Loathing in Las Vegas brullen, kakelen en braken. Dat zijn passende geluiden voor deze novelle uit de vroege jaren zeventig, waarin `gonzo-journalist' Hunter Thompson verslag doet van een in alcohol en drugs gedrenkt verblijf in Las Vegas, samen met zijn zwaarlijvige `Samoaanse' advocaat. Thompsons humor, zijn hyperbolen, en zijn beschrijvingen van de belevenissen van het gedrogeerde tweetal, maakten het boekje tot een hilarisch tijdsdocument, een kruising tussen een schelmenroman en een psychedelische slapstick.

Maar tussen alle gekakel zou ook voortdurend, op de achtergrond, het sonore gebrom te horen zijn van een zorgelijke monologue intérieure. Thompsons boek was niet alleen maar een verheerlijking van eigentijds bacchantengedrag, het was ook zijn sentimentele grafschrift voor de jaren zestig. De culturele revolutie waarop hij hoopte, had schipbreuk geleden. Woodstock was ingehaald door Altamont. Nixon was president, en de oorlog in Vietnam ging gewoon door. De droom was voorbij, zoals John Lennon dat jaar zong op een titelloze elpee vol therapeutische oerkreten en zelfkwelling. Fear and Loathing in Las Vegas, hoe wild en gedrogeerd ook, was met andere woorden een lijkrede, en het verslag van een ontnuchtering.

Gonzo zoekt

Zo is het niet gelezen. Het kende na publicatie in 1971, eerst in afleveringen in het muziekblad Rolling Stone en daarna als pocket, een instant-succes in de Amerikaanse subcultuur. Thompson werd op het schild gehesen door een voorhoede van dope rokende en pillen slikkende Amerikanen. Maar ook toen die `tegenculturele beweging' was verdwenen, bleef zijn ster rijzen. Thompsons maniakale vrijbuitersgedrag, aangevuurd door een apotheek vol roesmiddelen, was koren op de molen van een nieuwe generatie welvarende en blanke Amerikaanse jeugd die niets wilde weten van de jaren zestig, behalve dat het een geweldige tijd was om beestachtig uit je dak te gaan. Thompson werd onderdeel van de Amerikaanse folklore, de eerste psychedelische clown. Hij werd uitgenodigd als spreker op colleges en universiteiten, waar hij de studenten mocht uitkafferen als `een generatie van zwijnen', terwijl zij zich laafden aan de dampen en walmen vanaf het podium. Er kwam een Thompson-pop in omloop. Een zoon van Ronald Reagan hing coke snuivend in zijn gevolg van fans en groupies. Bill Clinton nodigde hem in 1992 uit een kijkje te nemen achter de schermen van zijn verkiezingscampagne.

Fear and Loathing in Las Vegas beleefde intussen herdruk op herdruk. Vorig jaar verscheen zelfs een gebonden editie met zilverkleurig omslag, als klassieker in de `Modern Library'. Het boek werd verfilmd door Terry Gilliam (ex-Monty Python) en kijk, er staan alweer bijpassende nieuwe herdrukken in de boekwinkel. De psychedelische clown is klassiek gekroond.

Dat succes is opmerkelijk, want Thompson was geen geboren `kind van de jaren zestig'. Hij was destijds geen hippie, geloofde niet in het LSD-evangelie van Timothy Leary en werd geen politieke bommengooier of brandstichter. Integendeel, toen de `lol' rond 1965 begon, had hij al een leven achter de rug als jeugddelinquent, gesjeesd militair en freelance journalist. Toen de eerste golven van het oproer tegen de kades klotsten, was Thompson gestrand in San Francisco; een literaire wannabe, vader van een jong gezin, en eigenaar van een stapel onbetaalde rekeningen.

Hoezeer hij zijn gonzo-vorm nog moest vinden, blijkt uit The Rum Diary, een jeugdwerk dat decennia op de plank lag, maar nu bijtijds is uitgebracht om mee te surfen op het succes van de film. Liefhebbers van Thompsons proza zullen zich waarschijnlijk wat bekocht voelen. Hij worstelt in deze prille poging tot fictie overduidelijk met zijn literaire voorbeelden: Faulkner en vooral Hemingway, van wiens werk hij soms hele pagina's overtypte om de juiste cadans te pakken te krijgen. Zijn stijl is gewild macho en krijgt maar zelden de burleske vaart die later zijn handelsmerk zou worden.

De plot van The Rum Diary leunt zwaar op een thema dat in de jaren vijftig populair was onder Amerikaanse schrijvers: de yankee die Suburbia ontvlucht om in het sensuele Mexico, of op een Caraïbisch eiland, kapot te gaan aan drank, muziek en vrouwen. Het boek is deels autobiografie. Thompson werkte een tijdje voor een krant op San Juan en zijn hoofdpersoon Paul Kemp is een Amerikaanse verslaggever bij een afgetrapt krantje op Puerto Rico. Kemp werkt (een beetje) drinkt (te veel), en vrijt (bij gelegenheid), terwijl de inboorlingen in opstand komen tegen de gringos. Het heeft allemaal niet veel om het lijf. De gewelddadige ontknoping doet in de verte denken aan Malcolm Lowry's Under the Vulcano, maar dan vele trappen lager op de literaire ladder.

The Rum Diary is wel interessant door dat sterke contrast met Thompsons latere werk, vooral met Fear and Loathing in Las Vegas. In zijn jeugdwerk zien we een ouderwetse Hunter S. Thompson aan het werk: ernstig, een tikkeltje pedant, en maar half overtuigd van zijn roeping als schrijver. Fear and Loathing in Las Vegas is ook fictie, en ook losjes gebaseerd op Thompsons belevenissen, maar hier heeft hij de literatuur ten lange leste enthousiast ingeruild voor de lachkick en de hyperbool.

Gonzo vindt

Wat was er gebeurd?

De `jaren zestig' waren gebeurd.

Dat oneindig gemythologiseerde tijdvak was een godsgeschenk voor Thompson, de literaire sjacheraar. Ze verlosten hem van zijn preoccupatie met een carrière als romanschrijver en lanceerden hem als journalist. Het maatschappelijk tumult gaf hem een onderwerp – drugs, van hasj en speed tot lsd en mescaline – gaven hem losse vingers achter de schrijfmachine. Thompson kon verheugd toezien hoe het gehate Amerika van de jaren vijftig naar de knoppen ging èn geld verdienen door erover te schrijven.

In het boek over Las Vegas voerde Thompson die nieuwgevonden identiteit nog een stap verder. Hij was niet langer verslaggever, maar introduceerde zichzelf als personage èn commentator van de tijdgeest. Tot 1968 surfden we op een golf van euforie en revolutionair élan, aldus Thompson, daarna was het afgelopen. In het boek (en in de film, mijmerend achter zijn elektrische schrijfmachine in een verwoeste hotelkamer) mijmert hij: `En dat was volgens mij het hele punt – dat idee dat je onherroepelijk gaat zegevieren over de Oude en Kwade elementen. Niet in laaghartige of militaire zin; daar hadden we helemaal geen behoefte aan. Onze energie zou domweg de overhand krijgen. Vechten – aan onze kant of de hunne – had totaal geen zin. Wij beschikten over alle energie; we rolden voort op de kop van een hoge, prachtige golf... En nu, nog geen vijf jaar later, kun je een steile heuvel in Las Vegas beklimmen en naar het westen kijken, en als je goeie ogen hebt kun je het hoogwaterteken bijna zien – de plek waar de golf tenslotte is gebroken en terug begon te rollen.'

Het is een plechtig, sentimenteel grafschrift voor een culturele revolutie. Dit beeld van een bijna geslaagde omwenteling, voortgestuwd door de energie van jonge mensen en ternauwernood afgewend door de krachten van het Oude, is een van de clichés geworden over de jaren zestig.

Gonzo wint

Maar bràk de golf wel, en rolde hij inderdaad terug?

Thompsons canonisatie als folk-held wijst op het tegendeel.

Een kwart eeuw naderhand, overspoeld door drugs en rockmuziek, met de gitaar van Jimi Hendrix en de bronstige zang van Jim Morrison balkend en blèrend uit jeugdhonken en pizza-tenten van Katmandu tot Katwijk, ligt het beeld van een mislukte revolutie niet echt voor de hand. De cultuur die Thompson in Fear and Loathing zo weemoedig bezingt – de ongeremde genotscultuur van seks en drugs en rock-'n-roll – is sindsdien, met dank aan de kapitalistische hoogconjunctuur, gemeengoed geworden voor het welgestelde deel der wereldbevolking. Duke en Dr. Gonzo, de psychedelische vlerken die in Thompsons novelle Las Vegas onveilig maken, maakten helemaal geen deel uit van een ondergaande cultuur. Integendeel, hun gedrogeerde maniakken-gedrag was het voorteken van een reusachtige roescultuur, een voorafschaduwing van wat ons in de jaren tachtig en negentig te wachten stond: een stormloop van stoned rijk tuig in coffeeshops, nachtclubs en voetbalstadions. In Thompsons woeste novelle waren de helden excentrieke psychedelische gentlemen, kenners van de drugscultuur die met elk snuifje precies wisten hoeveel effect ze zouden sorteren in welk deel van hun rondtollende brein. Fijnproevers, vergeleken met de onhippe Flintstones die in Vegas rondwaggelden met hun rode whiskykoppen en spetters braaksel op hun bordeelsluipers. Maar anno 1998 zijn zulke geraffineerde multigebruikers allang geen uitzonderingen meer, ze zijn overal, van Londen en Manchester tot het Leidseplein en Zaandam.

De tranen die in Fear and Loathing worden geplengd op het graf van de Grote Stoned Droom waren kortom veel te voorbarig.

Dat idee dringt al een beetje tot je door bij herlezing van het boek, maar wordt onontkoombaar na het zien van de film, die bezwijkt onder zijn eigen realisme. Wat grappig is om te lezen, is niet altijd leuk om te zien. De handeling is in de film zo haarscherp weergegeven, de dialogen zijn zo getrouw overgenomen, dat het allemaal té echt wordt. Wat in het boek een klucht is, wordt in de film een humorloze nachtmerrie.

Gonzo gromt

In dertig jaar is Fear and Loathing zodoende veranderd van een hilarische persiflage in een angstig beeld van een gedrogeerde huftercultuur.

Want is buiten zinnen om je heen maaien en een grote bek opzetten nog amusant, in de jaren negentig van Meindert Tjoelker en Gorcum? Is het zeulen met het stoned minderjarige meisje Lucy (`Gewoon een dik grietje dat ongelukkig genoeg ergens voor haar achttiende verjaardag knettergek was geworden') nog leuk, na een decennium vol Bruinsma's, Hakkelaren en Urka's? Is het afzeiken van Meneer de Burgerlul en Mevrouw de Burgertrut nog grappig, na het jarenlange beschavingswerk van Theo van Gogh, Paul de Leeuw, Bart de Graaf en andere schildknapen van de `sick joke'? Je kunt je maar al te goed voorstellen dat er nog eens een Nederlandse filmversie komt van Thompsons novelle, met Van Gogh en Holman in de hoofdrollen, of De Leeuw en De Graaf, op een vernietigende rit door Scheveningen.

Inmiddels zijn zelfs sommige van deze entertainers weer op de `gevoelige' toer, met levensliedjes en schattige interviewtjes, om ook eens een ander reservoir aan emoties aan te boren dan leedvermaak. En met goede reden. De scheiding tussen `hippe vogels' en `burgerlullen', en de bijbehorende cultus van `vrijgevochten' gedrag, zoals uitgedragen in Fear and Loathing in Las Vegas, heeft drie decennia later haar ludieke karakter lang en breed verloren. Het `non-conformisme' van de jaren zestig ontpopt zich als wat het eigenlijk altijd al was: een moreel aangekleed excuus voor brutaliteit en huftergedrag.

In Fear and Loathing komt een scène voor waarin Thompson en zijn advocaat in het Circus Circus-casino staan te rillen van afschuw om het klootjesvolk achter de fruitautomaat. `Consumentenvee', stellen ze vast. Zíj zijn zelfnatuurlijk een ander, beter soort mensen. Dan schrijft Thompson grimmig: `Het Circus Circus is de gelegenheid waar de incrowd zaterdags zou samendrommen als de Nazi's de oorlog hadden gewonnen. Dit is het Zesde Rijk.'

Vergeet het maar, Thompson, zou je hem willen toeroepen. Wat jij daar aan het doen was met je leipe vriendje, dàt is wat ons is overkomen.

Hunter S. Thompson: Fear and Loathing in Las Vegas. A Savage Journey to the Heart of the American Dream. Random House, 204 blz. ƒ29,95

Fear and Loathing in Las Vegas and other stories. Random House, 283 blz. ƒ40,80

Angst en walging in Las Vegas. Een drieste expeditie naar het hart van de Amerikaanse Droom. Vertaald uit het Engels door Guido Golüke. Ambo/Anthos, 195 blz. ƒ25,-

Hunter S. Thompson: The Rum Diary. Simon and Schuster, 204 blz. ƒ39,95