Een erfenis heroverd

Vorig jaar viel ik al zappend midden in een televisie-interview met Remco Campert. De interviewer had een opdringerige manier van vragen stellen, waar Campert het zichtbaar benauwd van kreeg en ik als kijker ook. Snakkend naar adem zette ik het toestel uit op het moment dat de verlegen ogende dichter werd doorgezaagd over zijn vader, de in het concentratiekamp Neuengamme omgekomen Jan Campert, beroemd dank zij het verzetsgedicht De Achttien Dooden. Hoe benieuwd ik ook was naar de plaats die Jan Campert in het leven van zijn zoon inneemt, afgedwongen intimiteiten zijn gênant.

Remco Campert had zich, schrijft hij in een nawoord bij zijn boekenweek-essay Over mijn vader, zelf achteraf aan het gesprek geërgerd. `Waarom werd ik nu al een groot deel van mijn leven achtervolgd door mensen die mij met Jan Campert in verband brachten en die vragen stelden die ik niet kon beantwoorden.' Hij besloot dat hij alles op moest schrijven om zich zo van het spook, zijn vader, te bevrijden. Het resultaat zou hij in de boekenkast zetten en vergeten. Maar zo werkte het niet. Al schrijvende verdween zijn `hekel' aan Jan Campert en nu beschouwt hij het resultaat `als een poging hem dichter bij me te krijgen en wat hij me niet heeft gegeven wel aan hem te geven: een beetje liefde.'

Wat Remco Campert maakt, of hij nu schrijft over een bijzettafeltje of over een regenbui, is altijd literatuur. Uniek van toon, dierbaar, ingehouden, geestig, vol zelfspot, het tegendeel van pompeus. Alles wat Camperts proza (maar ook veel van zijn gedichten) typeert, is ook in dit verhaal te vinden. Het gaat over de historische Jan Campert, maar meer dan een `essay' is het een product van de verbeeldingskracht van de zoon. Remco Campert heeft zijn vader niet verloren toen hij als dertienjarige van zijn moeder vernam dat hij was overleden in Neuengamme, maar als kleuter al, toen Jan Campert vrouw en kind verliet voor Willy Corsari. Daarom was het ook moeilijk iets te voelen toen hij in 1943 vernam dat de man die hij niet kende er niet meer was. `Ik voelde niets / maar wist dat ik iets voelen moest', dichtte hij jaren later over deze ingewikkelde ervaring. Pas als volwassen man, blijkt uit het slot van dit gedicht, voelde hij `pijn die niet meer overging', maar nu `bekent' hij dat die pijn meer te maken had met de gruwelijkheden in het algemeen van de oorlog, waar ook zijn vader slachtoffer van werd, `dan met zijn individuele geval apart'.

De echte pijn om de vader die hij niet heeft gekend, voelde Campert toen hij kort geleden in de archieven van het RIOD een uit 1943 stammend bericht van de bezetter aan de Nederlandse dagbladen aantrof, waarin stond dat er over `den dood van den schrijver jan campert' niets mocht worden gepubliceerd. De zoon ervoer op dat moment een gevoel van totale verlatenheid. `Het was niet mijn verlatenheid die ik voelde', schrijft hij, `maar de zijne. Het was een plaatsvervangend gevoel. Ik denk niet dat ik ooit dichter bij hem ben geweest'. Mensen hebben de neiging zich vooral in zichzelf te verdiepen, hun eigen gevoelens te peilen, niet die van de ander – tenzij er liefde in het spel is. Pas nadat hij zich – voor het eerst – heeft losgemaakt van zijn eigen, lang gekoesterde gevoel van verlatenheid, van `in de steek gelaten zijn', kan hij nader komen tot de vader, met wie hij zich maar twee ontmoetingen kan herinneren. Twee korte ontmoetingen en een ansichtkaart, die hij op zijn zevende ontving uit Zwolle, toen zijn ouders al vier jaar gescheiden waren. Dat zijn de karige, minimale ingrediënten waarmee Remco Campert het portret van zijn vader schildert. En zie: het ikoon, de verzetsheld, de dichter van De Achttien Dooden verdwijnt en maakt plaats voor iemand die echt heeft bestaan: een charmante zuiplap, een rokkenjager, een wegloper, iemand die je kunt verguizen of liefhebben.

Campert jr. geeft Campert sr. zijn bestaan terug. Of het beeld dat hij schetst nu klopt of niet, er ontstaat in elk geval een beeld. Naar aanleiding van de verfomfaaide kaart uit Zwolle voorziet hij zijn vader van een (verzonnen) context. We zien Jan Campert met een enorme kater in een hotelkamer waar hij de nacht met een geliefde heeft doorgebracht. `Met zijn rug naar haar toegekeerd telt hij zijn geld. Geld is altijd een probleem. Er is nog net genoeg om het hotel te betalen, de trein terug naar Den Haag te nemen ... en een briefkaart te kopen.'

Het weinige dat Remco Campert van zijn vader wist (zijn moeder wilde alleen kwijt dat hij `charmant' was), had hij ontleend aan het boekje Over Jan Campert (1946) van de dichter Han G. Hoekstra, een interview met Willy Corsari en een paar geboekstaafde herinneringen van Max Nord en Jacques Gans. De laatste heeft een duel (om een vrouw uiteraard) tussen hem en Campert in het Vondelpark beschreven, dat ook door Jan Campert zelf aan het papier is toevertrouwd in de novelle Slordig beheer (1941). Han Hoekstra weigerde botweg in 1950 de 21-jarige Remco iets over zijn vader te vertellen, en aan Jacques Gans vroeg een fatsoenlijk mens in die tijd niets, want die schreef voor De Telegraaf. Wel gaf de titel Slordig beheer soms een vage reden tot herkenning. `Huiselijke omstandigheden hadden ertoe geleid dat ik niet meer bij mijn kinderen woonde. Ik was gedrenkt in zelfmedelijden en alcohol (...) Met Slordig beheer kon ik ook uit de voeten.'

Het kind Remco Campert werd slordig beheerd, maar beklaagt zich niet. Zonder ooit larmoyant te worden, vertelt hij hoe een jongetje in de jaren dertig van hot naar her werd gesleept als zijn moeder, de actrice Joekie Broedelet op tournee was en niet voor hem kon zorgen. Zo woonde hij ook een tijdje bij de schrijfster Clara Eggink, de ex van Jacques Bloem, met wie Jan Campert korte tijd getrouwd was. Nadat vader Campert Clara had ingeruild voor de zuster van Bloem werd de kleine Remco zonder pardon uit huis gebonjourd en met een brief voor zijn grootmoeder op de bus gezet.

Het mooiste, maar tegelijkertijd vreselijkste verhaal, is hoe Campert na de publicatie van De Achttien Dooden door de Bezige Bij gebombardeerd werd tot De Erven Jan Campert. `De Erven' moest overal het beroemde gedicht voordragen en werd in 1947, zeventien jaar oud aan koningin Wilhelmina voorgesteld. `De Erven werd door de koningin bekeken met belangstelling en compassie'. Toen voelde hij zich geen zoon van zijn vader – de majesteitelijke compassie bracht hem alleen maar in verlegenheid. De kunstenaar heeft het nu definitief van De Erven gewonnen.

`Een beetje liefde' wilde Campert zijn vader geven met dit boekje, dat voor de helft bestaat uit nog een ander `essay', geschreven door Jan Mulder, Camperts wederhelft in het columnistenduo Camu van de Volkskrant. De kracht van de twee auteurs als duo is dat zij spiegelbeeldig zijn. In dit geval letterlijk: Mulder schrijft als vader over zijn zoons, de voetballer Youri en de kunstenaar Geret voor wie hij overloopt van liefde, zoals vaders geacht worden te doen. Het effect van hun samenwerking, het contrast, is dat het werk van de een beter uitkomt tegen de achtergrond van het werk van de ander. Ik ken eigenlijk niemand die van Campert en Mulder beiden houdt: men is Ca-fan of Mu-fan. Naar mijn smaak verhouden zij zich als een geslepen diamant tot een spruitje. Mulder schrijft over zijn kinderen zonder een greintje verbeelding of zelfreflectie. Hij is een ideale vader van ideale zoons. Gefeliciteerd. Zou er dan toch, voor literatuur, pijn moeten zijn geleden?

Jan Mulder en Remco Campert: Familie-album. Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek, 64 bLz. ƒ4,95