Dreigen met instorten

Beeldend kunstenaar Auke de Vries maakt objecten die lijken op zwevende tekeningen, al zijn ze soms loodzwaar.

Alle beelden van Auke de Vries (61) zijn vrij werk, ook als ze in opdracht werden gemaakt. Het zijn meestal wat fragiel ogende metaalconstructies van draden, platen en repen, een soort driedimensionele, zwevende tekeningen, van heel klein tot meters hoog, waarin de oorspronkelijke opdracht slechts de aanleiding was voor een periode van denk- en schetswerk, dat via maquettes moet uitmonden in de vormen die in het hoofd van de kunstenaar gestalte kregen. Pas als ze die onafhankelijkheid hebben, zijn losgezongen van de oorspronkelijke opdracht, pas dan is er sprake van een beeld.

Aldus in het kort de filosofie achter zijn werk zoals Auke de Vries die uiteenzette in Museum 't Coopmanshûs in Franeker waar hij exposeert. De tentoonstelling van objecten en tekeningen dringt door tot in de zalen van de oudheidskamer die 't Coopmanshûs ook is. Een vitrine met abstracte kleinplastieken staat er bijvoorbeeld naast een identieke vitrine met Delfts blauw en porselein van een eeuw of meer oud.

Het effect is verrassend, maar doet toch heel logisch aan. Van detoneren is geen sprake, integendeel, kunst hoort bij kunst, ook al leefden de makers in verschillende werelden.

Het aantal opdrachten dat De Vries in binnen- en buitenland uitvoerde, zowel in de openbare ruimte als binnen, is indrukwekkend. Samen met de vele tientallen exposities van zijn werk en met zijn docentschappen aan de Haagse academie en de Rijksacademie in Amsterdam kan er van een ongewoon succesvolle carrière gesproken worden voor een jongen van het Friese platteland (geboren in Tietjerksteradeel!) die zichzelf leerde tekenen en schilderen met vooral aan het landschap ontleende abstraheringen als motieven.

Al vrij snel ging hij zijn intuïtieve technieken ook op steden en stadsgezichten toepassen. Hoewel hij nog een blauwe maandag lid was van de Boun fan Fryske Kunstners verliet hij al vroeg de provincie die zo opvallend veel autodidactisch beeldend talent oplevert. Hij ging naar Den Haag, naar Parijs en, om aan de militaire dienstplicht te ontkomen, naar Noorwegen. Hij kwam terug, ging toch in dienst en daar, zegt hij, is iets in hem veranderd. Het schilderen ging niet meer, hij had een andere wijze van uiten nodig en leerde zichzelf etsen.

Hij bleef verder zijn oorspronkelijke werkwijze trouw: altijd buiten tekenen, verzamelen, noteren en fotograferen met een voorkeur voor bomen, bossen, de grolligheid van in elkaar grijpende takken. Basismateriaal dat later ook in zijn beelden herkenbaar zou blijven voor iemand die hem kent.

In de etsen werden de vormen steeds abstracter, verwijderden zich verder en verder van de overal, tot in de trein toe, genoteerde schetsen en krabbels die desondanks in het voorbereidende denkwerk noodzakelijk bleven.

Hij ging naar Israel.

Waarom?

,,Zomaar, ik kwam er terecht.''

Vooral in de Negev, in de woestijn voelde hij een weldadige rust, een bevrijdend gevoel van losgesneden zijn van eerdere beperkingen. Het verschafte hem de kennelijk onderbewust gebleven behoefde aan totale onafhankelijkheid. In de woestijn was veel zand met weinig, op den duur te weinig contrasterende varianten: ,,Toen ben ik die zelf gaan maken.''

Zandvlak

Uit metaaldraad ontstonden er allerlei constructies, aanwijzingen voor met het platte zandvlak samenspelende elementen die met de woestijnindrukken tot een grotere verscheidenheid aan motieven voor de etsen leidden.

Wat te verwachten was gebeurde, de metalen objecten ontwikkelden zich tot op zichzelf staande beelden, die groeiden en steeds veelvormiger werden. De Vries nam de derde dimensie erbij en raakte geïnteresseerd in de krachten waardoor grote constructies beheerst worden.

Zijn bekendste openbare werken waarin deze krachten als artistieke componenten werkzaam zijn en zichtbaar worden, zijn het Maasbeeld in Rotterdam en de omvangrijke, speelse en grillige constructie in de vijver bij het architectuurmuseum in dezelfde stad.

Minder bekend, maar zo mogelijk nog illustratiever voor De Vries' mentaliteit en de daaruit voortvloeiende kunstzinnige denkwijze is het al in het begin van de jaren zeventig geplaatste `windplastiek' op de Bovenplaats in Lelystad, dat onderdeel is van een meer omvattend project waarmee hij als esthetisch adviseur bij de bouw van de nieuwe stad te maken kreeg.

Als zodanig raakte hij betrokken bij enkele problemen in de openbare gebouwen aan weerszijden van de Bovenplaats. Met name bij de akoestiek van de raads- en de trouwzaal, die niet goed was. Er was, zegt hij, te weinig absorptie van het geluid, waardoor hinderlijke echo's optraden.

De Vries wist niet veel van akoestiek, maar verwierf zich meer kennis erover in gesprekken met deskundigen en ook met bijvoorbeeld musici. Hij trachtte erachter te komen, zegt hij, wat geluid eigenlijk is, waarom mensen in de ene zaal meer behoefte hebben aan een slokje water dan in de andere, geluid heeft kennelijk met alles te maken.

Op basis van wat hij hoorde en las kwam hij (`met een grote dosis naïveteit') tot de constructie van wat hij `kunstwanden' noemt, die het euvel bestreden, maar ook als kunstwerken beschouwd wilden worden.

Buiten, tussen de grote gebouwen in, was op dit hoge punt in de platte IJsselmeerpolder een ander probleem. De doorgang was een tochtgat dat voor de passanten en bezoekers meer dan alleen maar hinderlijk was.

De Vries dacht aan een object, een beeld dat de door de sleuf gierende wind zou moeten breken. Er volgde een jaar van voor een deel puur technische studie waaraan o.m. de TNO-gezondheidsdienst te pas kwam en waarin allerlei maquettes in een windtunnel werden getest.

Dit alles leidde tot een `windbrekend labyrinth', een verzameling van verticale balken met een H-profiel om het hinderlijk `zingen' van het object te voorkomen. De balken, gekleurde `stammen' van een dicht bos, werden verankerd in beton en onder de grond nog eens extra vastgehouden in een metalen plaat. Het kunstwerk, dat 's nachts verlicht wordt, dwingt de wind in slingers en wervelingen die minder belastend zijn dan de onbelemmerd doorgierende luchtstromen die ter plaatse altijd hun weg zoeken.

Waslijn

In het Maasbeeld, dat door de Rotterdammers met een wat afstandelijke sympathie de Waslijn wordt genoemd, zijn het weer andere natuurkrachten die, zoals De Vries het ziet, mede onderdelen van het beeld zijn.

Het betreft hier een staalkabel van tweehonderd meter, die dicht boven het water tussen de Willemsbrug en een van de gesloopte spoorbrug overgebleven pijler is gespannen. De Vries nam die pijler voor een gulden over van de Nederlandse Spoorwegen, waardoor het gevaarte kon blijven staan. De kabel is van het type dat ook in de tuien van de brug voorkomt. De draad hangt over de pijler heen en is vastgemaakt aan een `domper', een contragewicht van twintig ton.

Aan de kabel hangen, in de woorden van de kunstenaar, accenten en volumes, zoals een zes bij drie meter metende stalen windvanger, een lange stalen veer, een enorme ring, een balk en een tot dicht bij het water neergelaten stalen bol, zo'n ding dat gebruikt wordt bij het slopen van huizen en dan `de beul' heet. Het gehele gevaarte van tientallen tonnen beweegt. Door de wind maar vooral door de getijdenbewegingen van de Maas, waarbij dagelijks hoogteverschillen van tegen de twee meter optreden. Daardoor wordt de bal steeds door de natuurkrachten aangepakt en veroorzaakt stuwingen en bewegingen in het totale object: ,,Water is de absolute werking van het beeld.''

Het is in de visie van de maker een onderdeel van de brug geworden waarin allerlei natuurkrachten die in die brug hun onzichtbare werking hebben waarneembaar worden gemaakt.

Aan het ontwerp werd jaren gewerkt met een reeks van variërende maquettes als voorlopige resultaten. Zoals gebruikelijk bij De Vries' werken werd het geheel door ingenieurs, de ingenieurs die ook bij de bouw van de Willemsbrug zelf betrokken waren, uitgerekend en in de windtunnel getest. Een ingewikkeld karwei, het beproeven van een meer dan loodzwaar zwevend beeld in het horizontale vlak.

Die horizontaliteit was een noodzakelijk uitgangspunt omdat het beeld anders in een vervelende concurrentiepositie zou komen met o.m. de brug zelf en met het naburige Witte Huis. Op De Vries' initiatief werd de nieuwe Willemsbrug rood geschilderd, zodat er, samen met het ongewone beeld zoiets als een stedelijk signaal ontstond, een nieuw punt in Rotterdam.

Onlogica

Dikwijls speelt in de plastieken van De Vries, die, zoals eerder opgemerkt, in de ruimte zwevende tekeningen zijn, een ogenschijnlijke onlogica een rol, wordt bijvoorbeeld de zwaartekracht getart. Zoals bij het beeld in de vijver voor het Architectuurmuseum waar een der dragende poten zover opzij steekt dat het hele ding zou moeten omvallen en waaruit kronkelende sprieten groeien die zomaar los in de lucht lijken te hangen. Net zoals dat in een netwerk van twijgen en takken gebeurt. Maar daarvan weten we dat het buigzame en lichte dingen zijn die het altijd wel houden. In de beelden van Auke de Vries wordt nogal eens gevaar gesuggereerd, wordt er gedreigd met instorten of omvallen. Het veroorzaakt bij de beschouwer een door de kunstenaar gewilde spanning, die de sculpturen in beweging brengt. Het gevaar zet de kijker op het verkeerde been omdat hij iets waarneemt dat zijn zekerheden aantast.

Naar aanleiding hiervan zei iemand dat een echt kunstwerk een risico-element in zich moet hebben. Bijvoorbeeld het risico om niet `mooi' te worden gevonden, het risico om de voorbijganger te irriteren, zodat hij een handtekeningenactie op touw zet om het beeld weer weg te krijgen.

Daar zit veel in. Bij De Vries zit het risico in het onlogische.

Op de expositie in Franeker zijn vele voorbeelden van deze typische onbalans. Soms zijn het schaalmodellen die een grotere uitvoering bedoelen, dikwijls ook zijn de plastieken eindproducten.

Metalen strips, draden, platen, recht en gekronkeld, soms met kleuraccenten, hier en daar heeft een stuk hout of zelfs een plastic speelgoedautootje zich toegang weten te verschaffen. Het werk bestaat uit de uitingen van de oorspronkelijke intuïtieve tekenaar, die zich ook als zodanig blijft manifesteren in grote schetsen, waarin ronddolende losse elementen hun plaats ten opzichte van elkaar zoeken.

Alles spruit voort uit een hoofd vol herinneringen aan waarnemingen die voor later gebruik opgeslagen werden. Het riet langs een plas, de overspanning van een brug, een vlucht vogels in de verte, en dus in het bijzonder stammen, takken en twijgen. De beelden zijn sporen van een getransformeerde werkelijkheid, een in de ruimte geschreven dagboek.

Prominent op de expositie is een enkele meters hoge commandotoren van een onderzeeboot. Althans dat zag ik er in, enkele boven elkaar geplaatste halfronde compartimenten met kijksleuven erin. Anders dan het andere werk is hier sprake van een echt volume, een zwaar in de ruimte staand ding, waarnaar via vele, ten dele ook geëxposeerde maquettes is toegewerkt.

Het zou ook een fort kunnen zijn met zijn halfronde torendelen.

Of een villa uit de nieuwe zakelijkheid.

Wat het echt is?

Het is een beeld, aldus De Vries, niets meer en niets minder, hoewel hij wel geïnteresseerd is in alle andere mogelijke interpretaties van wat voor hem alleen maar een vorm is.

Auke de Vries, beelden en tekeningen, tot 28 maart in Museum `t Coopmanshûs, Voorstraat 49-51, Franeker. Di t/m za van 10-17 uur