De erosie van het huwelijk

Maar doodslaan deed hij niet, want

tusschen droom en daad

staan wetten in de weg en praktische

bezwaren,

en ook weemoedigheid, die niemand

kan verklaren,

en die des avonds komt, wanneer men

slapen gaat.

In het befaamde gedicht Het Huwelijk van Elsschot komt de regel voor `Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand'. Het wordt geciteerd door de historicus Dirk Damsma in zijn geschiedenis van het gezin in Nederland, getiteld Familieband. In de periode 1920-1965 steeg de gemiddelde huwelijksduur tot meer dan veertig jaar, en Damsma ziet het gedicht van Elsschot als een aanwijzing dat dat niet altijd een onverdeeld genoegen was voor de partners.

Het is een opmerkelijke passage in een verder nogal zakelijke geschiedenis, een bewerking van Damsma's in 1993 verschenen boek Het Hollands Huisgezin, waaraan een nieuw slothoofdstuk is toegevoegd. Het is een leesbaar boek, het is een helder boek, het is up to date en het gaat alleen niet over familiebanden. Het is sociaal-politieke gezinsgeschiedenis, waarin de vraag wat familie- en gezinsleden bindt nauwelijks ter sprake komt. Het gezin wordt uitsluitend van buitenaf bekeken, via de demografie, het overheidsbeleid, de visie van de kerk, adviezen van opvoeders en medici, enzovoort, en het gaat dus vooral over de uiterlijke kenmerken van het gezin.

Calvinisme

De eerste hoofdstukken, over de Middeleeuwen en de zeventiende eeuw, zijn bondige samenvattingen van de bestaande literatuur, waaraan de auteur weinig oorspronkelijks toevoegt. Hij neemt wel duidelijk stelling in een aantal discussies. Hij bestrijdt bijvoorbeeld dat het moderne gezin in Nederland zou zijn ontstaan onder invloed van het calvinisme. Het moderne gezin is gedefiniëerd als een gezin dat betrekkelijk onafhankelijk van andere verwanten opereert en waarin de partnerkeuze, die geschiedt op grond van genegenheid, wordt overgelaten aan de direct betrokkenen. Dit ter onderscheiding van gezinnen die deel uitmaken van een huishouden met meer dan twee generaties en van gezinnen waarin huwelijken puur op grond van zakelijke motieven worden gearrangeerd. Damsma koppelt de opkomst van het moderne gezin liever aan de opkomst van het handelskapitalisme. Bij een economie die werd gedomineerd door geld, loonarbeid en privé-eigendom pasten andere familiestructuren dan bij een traditionele agrarische samenleving, en de structuur van het gezin in Nederland stond in direct verband met de groei van de stedelijke economie en de specialisatie van de landbouw aan het einde van de Middeleeuwen.

Bij het vastleggen (in 1580, tijdens de Opstand, in Holland) van de bij die structuur passende huwelijkswetgeving speelden de calvinisten wel een beslissende rol. Terwijl de rooms-katholieke kerk het huwelijk zag als een sacrament, dat slechts door kerkelijke wijding geldigheid kreeg, vonden de calvinisten dat het gezin en het huwelijk maatschappelijke instellingen waren, die onder het gezag van de overheid moesten vallen, niet onder dat van de kerk. De calvinisten legden de nadruk op de opvoedende taak van het gezin, terwijl de katholieken de voortplanting als belangrijkste doel van het huwelijk bleven zien.

Wat de implicaties van die structuur en van de opvattingen van overheid en kerk voor de onderlinge banden waren laat Damsma onbesproken. Hij relativeert wel het verschil tussen protestantse en katholieke opvattingen. De geschiedenis van het gezin in Nederland is in zijn optiek meer specifiek Nederlands dan specifiek calvinistisch.

In Nederland heeft altijd sterk de nadruk gelegen op de opvoedende functie van het gezin, en kenmerkend was steeds dat de Nederlandse vader niet boos maar verdrietig was. In geschriften over opvoeding werd naast tucht en gehoorzaamheid ook altijd aandacht gepropageerd voor het eigen karakter en de specifieke talenten van een kind. Het lichtvaardig gebruik van lijfstraffen werd steevast afgekeurd. In de praktijk vielen er natuurlijk toch regelmatig klappen, maar het standpunt dat discipline beter kon worden afgedwongen door liefde dan door straf werd in brede kring onderschreven. Het moralisme van `Jantje zag eens pruimen hangen' was niet alleen kenmerkend voor de achttiende eeuw.

Een opvallend kenmerk van het Nederlandse gezin was de geringe omvang. De belangrijkste reden daarvan was aanvankelijk de kindersterfte, waardoor in de zeventiende eeuw slechts de helft van de kinderen volwassen werd. Ook onder volwassenen was de sterfte zo hoog dat er vrij veel gebroken gezinnen waren. Dat zelfde gold voor andere landen, maar in Nederland lag bovendien de huwelijksleeftijd relatief hoog, zodat de periode waarin kinderen konden worden geboren relatief klein was. Gemiddeld telde een Nederlands gezin dan ook minder dan vier personen. Op de implicaties daarvan voor de familieband gaat Damsma wederom niet in. Hij lijkt beschroomd zich te bedienen van andere gegevens dan zogenaamde `harde feiten' en dat is bij een geschiedenis van het gezin een onbevredigende beperking. De belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen die van invloed waren op het gezin worden helder uiteengezet, maar daarbij blijft het. Damsma's hele verhaal is gebaseerd op secundaire literatuur, met andere bronnen lijkt hij niet goed raad te weten. Zo heeft hij zich laten imponeren door de stijl waarin affectie in de achttiende en negentiende eeuw werd verwoord en voert hij op grond daarvan aan dat het huwelijk in die periode een meer intiem karakter kreeg. Vrijwel nergens geeft hij er blijk van zelf ook andere bronnen te hebben geraadpleegd. Zelfs citaten uit Jacob Cats en Hieronymus van Alphen zijn overgenomen uit recente studies.

Individualisering

De auteur is beter op zijn gemak bij het analyseren van ideologische standpunten. Hij relativeert bijvoorbeeld op verfrissende wijze de praktische betekenis van de maatregelen die bezorgde woordvoerders van de negentiende eeuwse burgerij nodig achtten voor de verhoging van het zedelijk peil van de onderste sociale lagen. Hij betwijfelt of van het burgerlijk `beschavingsoffensief' werkelijk iets terecht is gekomen. Volgens hem was het te veel op de eigen achterban gericht en `stonden de heren en dames beschavers te ver af van het gewone volk'.

In het slothoofdstuk komt het hedendaagse gezin aan bod. Damsma constateert aan de ene kant een verdergaande verzelfstandiging van het gezin dankzij de verzorgingsstaat en bovendien de blijvende aantrekkingskracht van het ideaal van het harmonische gezin. Maar hij stelt ook vast dat het gezinsleven sinds de jaren zestig wordt bedreigd door de voortschrijdende individualisering van de samenleving. Hij analyseert de invloed van de individualisering vooral op grond van een tweetal recente overheidsrapporten, het Gezinsrapport uit 1997 en het Sociaal en cultureel rapport 1998. Daaruit blijkt in de eerste plaats dat het aantal gezinnen met kinderen is gedaald van 61 procent in 1960 tot 38 procent in 1996. Er zijn nog diverse andere aanwijzingen dat het gezin niet meer is wat het ooit was. De leeftijd waarop men trouwt is bijvoorbeeld sterk gestegen. In de jaren zestig en zeventig, toen trouwen nog betrekkelijk vanzelfsprekend was en er dankzij de welvaart weinig materiële beletselen waren om een gezin te stichten, was de gemiddelde huwelijksleeftijd gedaald tot 25 jaar voor mannen en 23 voor vrouwen. Tegenwoordig ligt de huwelijksleeftijd tegen de dertig. Nog maar een kwart in plaats van driekwart van de jongeren trouwt direct vanuit het ouderlijk huis. Terwijl in de jaren zestig minder dan tien procent van de huwelijken in echtscheiding eindigden, geldt dat nu voor een op de drie. Een op de zes kinderen maakt tegenwoordig een scheiding mee.

Het kindertal per gezin is sinds de introductie van de pil in 1962 teruggelopen van drie à vier tot minder dan twee. De leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind krijgen is gestegen van 25 naar 29 jaar. Een op de vijf vrouwen blijft kinderloos. Veel vrouwen willen eerst een opleiding afmaken en een plaats op de arbeidsmarkt veroveren, en daarna willen ze baan en moederschap combineren. In Nederland is deeltijdarbeid voor gehuwde vrouwen met kinderen volgens Damsma `uitzonderlijk populair'. In 44 procent van de gezinnen blijft de vrouw als ze moeder is geworden werken, meestal in deeltijd. Dat is drie keer zo vaak als in 1975. Daardoor is een nieuw type gezin ontstaan, het `anderhalfverdienersgezin'.

Damsma stelt vast dat de erosie van het huwelijk en het feit dat beide ouders vaak werken de huiselijkheid hebben aangetast. Alle gezinsleden brengen meer tijd door buiten het gezin en onderhouden meer intensieve contacten buiten het gezin. Binnen het gezin moet daarnaast ruimte zijn om aan ieders persoonlijke verlangens te voldoen. Het gezin is dus niet meer wat het is geweest, maar toch zegt 90 procent van de jongeren in de toekomst een gezin te willen stichten. In de jaren zeventig en tachtig vond de meerderheid van de Nederlanders `dat een enkel avontuurtje geen kwaad kon in een goed huwelijk', terwijl in 1997 57 procent van de ondervraagden daar sterke afkeuring over uitsprak. Daarom, concludeert Damsma, zijn we het gezin nog lang niet voorbij.

Dirk Damsma: Familieband. Kosmos, 208 blz. ƒ29,90