Darwins paradox, of de grap van God

Wetenschap oefent op sommige schrijvers een magische aantrekkingskracht uit. Wie niet bekend is met de quantummechanica krijgt van Jeanette Winterson de beginselen gepresenteerd in haar roman Sexing the Cherry (1989). Voor een cursus neodarwinisme kan men terecht bij AKO-literatuurprijswinnaar Tijs Goldschmidt, die zijn biologische onderzoeksactiviteiten vastlegde in Darwins Hofvijver (1994), en voor een indruk van de nieuwste ontwikkelingen binnen de zoölogie leze men Peter H⊘egs bestseller De vrouw en de aap (1996). Deze auteurs slagen er in de lezer een aantrekkelijke mix te bieden van wetenschap en een spannend verhaal. Maar een schrijver die met wetenschap flirt moet opletten. Er moet verhaaltechnisch gezien een aannemelijke reden zijn om een personage Newton te laten citeren, Heisenbergs onzekerheidsprincipe te laten ophoesten of uitvoerig te laten debatteren over de niet-integrale vergelijkingen van Henri Poincaré.

Onlangs verschenen de vertalingen van twee romans die beide op de achterflap worden aangeprezen wegens hun bijzondere combinatie van literatuur en wetenschap. De Britse auteur Liz Jensen schreef Het kind van de ark. Hierin doet de bezeten taxidermist Dr. Scrapie een poging om Darwins evolutietheorie te falsifiëren door aan te tonen dat de mens zich niet geleidelijk uit een aap ontwikkelde, maar een gekruiste toevalstreffer is. In de roman In het teken van de slang, van de Deense schrijver Michael Larsen, maken we kennis met de buitengewoon slimme hersenspecialiste Annika Niebuhr. Zij heeft zich in haar vrije tijd verdiept in de ofiologie, de wetenschappelijke studie naar slangen. Deze kennis zet ze in om de moord op haar goede vriend, de erudiete psycholoog Simon Rees, op te lossen. Zowel in de roman van Jensen als die van Larsen krijgt de lezer niet alleen een spannend verhaal, maar ook een cursus biologie.Twee diersoorten spelen in deze lessen een belangrijke rol, respectievelijk de aap en de slang.

In Het kind van de ark lopen twee verhaallijnen door elkaar. De eerste lijn speelt zich af in 1999, in Groot-Brittannië, alwaar een nationale vruchtbaarheidscrisis is uitgebroken, en een grote geldprijs is uitgeloofd voor de vrouw die het uitsterven van de homo britannicus weet te voorkomen. Het huisdierenbezit is verviervoudigd. Vrouwen leggen zich gepassioneerd toe op de zorg voor het dier dat het meest op de mens lijkt: de aap. De andere verhaallijn speelt zich anderhalve eeuw eerder af, in het dorpje Thunder Spit. Dominee Phelps treft in zijn kerk een wonderlijk kind aan, met knalrood haar en een overbehaard lichaam. Hij beschouwt het als een geschenk uit de hemel en neemt de zorg voor het kind, dat hij Tobias noemt, op zich. De aan bananen verslaafde Tobias blijkt een kruising te zijn tussen een mensaap en een circusartieste. Wanneer hij terecht komt bij Dr. Scrapie, meent deze het levende bewijs in handen te hebben om Darwins idee dat kruising tussen de soorten niet mogelijk zou zijn, te ontkrachten. Op het grote Banket ter Viering van de Evolutie hoopt Dr. Scrapie zijn belangrijke vondst aan Darwin te kunnen tonen. Maar Darwin, druk met hapjes en drankjes, negeert hem volkomen.

Jensens roman is vlot geschreven, geestig en bij vlagen zelfs ontroerend. Wanneer de monsterlijke Tobias een bezoek brengt aan zijn vader, die terecht is gekomen in een speciaal opvanghuis voor geestelijken die de publicatie van Darwins Origin of Species niet hebben kunnen verwerken, roept hij dramatisch: `Ik ben Darwins paradox!'. Zijn vader antwoordt hem met schorre stem: `Of de grap van God.'

Anders dan Jensen legt Larsen de link met wetenschap niet op het niveau van het verhaal, maar via zijn personages. Elk personage dat hij ten tonele voert is een specialist, en daarmee een aanknopingspunt voor Larsen om pagina's lang diverse wetenschappelijke theorieën te bespreken. Zo ontmoeten we onder meer een frenoloog, een entomoloog, een herpetoloog, een patholoog en een odontoloog. De hoofdrol is weggelegd voor Annika. Ze weet niet alleen alles van slangen, maar ze is ook dol op getallen. Zo raakt ze hevig ontroerd bij het lezen van Goethe's afrekening met Newtons Optics en is ze razend enthousiast over de matrix-algebra van Heisenberg. Annika slaat op de meest ongepaste momenten door in haar passie voor wetenschap, wat haar soms ongeloofwaardig maakt. Vrijwel direct na de moord op Simon gaat ze bijvoorbeeld vol vuur in debat over de afstamming van de mens. En later, wanneer ook haar vriend Mike wordt neergeschoten, stort ze niet in elkaar, maar pakt ze haar pistool om terug te schieten en weet ze `nog te bedenken dat je theoretisch de ballistische baan van de kogels die je afvuurt kan uitrekenen'.

Had Larsen het maar bij de beschouwingen over slangensoorten en gifbeten gelaten. Maar hij heeft ze allemaal gelezen en begrepen, de grote heren van de wetenschap, en dat zal de lezer weten. Eindeloos lange beschouwingen over de `elegante bewegingswetten van Newton', de `zwakheden' van het neodarwinisme, de `schoonheid' van Einsteins relativiteitstheorie, de chaostheorie en de quantummechanica, passeren de revue, zonder dat deze ook maar iets te maken hebben met het verhaal zelf. Daar waar de uitweidingen over Darwins theorie bij Jensen noodzakelijk zijn voor een beter begrip van het verhaal, slaat Larsen volkomen door in een blinde flirt met wetenschap. Het is natuurlijk prima dat een auteur zijn of haar wetenschappelijke passie kwijt wil in een roman, maar zodra een gezonde passie omslaat in gekoketteer of in een ziekelijke demonstratie van de eruditie van de schrijver, betekent dat het einde van de verbeeldingskracht van het literaire werk.

Michael Larsen: In het teken van de slang. Uit het Deens vertaald door Kor de Vries. Bert Bakker, 330 blz. ƒ39,90

Liz Jensen: Het kind van de ark. Uit het Engels vertaald door Tjadine Stheeman. Prometheus, 320 blz. ƒ49,90