Daar heb je weer een kakatoe

Schoonheid aan de ene kant, wreedheid aan de andere kant, dat is overzichtelijk. Maar het klopt niet. Deel negen van Bas Heijne's serie in het laatste jaar van het millennium.

Een soldaat ligt op zijn buik in het helmgras. Hij verkeert in doodsangst. De seconden tikken langzaam weg, de vijand kan ieder moment te voorschijn springen. Maar de jonge soldaat ziet niets, helemaal niets. Plotseling valt zijn oog op een groen rupsje dat vlak voor zijn gezicht aan een blad hangt. Hij kijkt er een moment naar. Dan begint het schieten.

In de drie uur durende film The Thin Red Line zet regisseur Terence Malick steeds opnieuw het bloederige drama stil voor dit soort kleine openbaringen. De film is een oorlogsfilm voor onze tijd, dat wil zeggen, voor mensen die op geen enkele manier direct in aanraking met een oorlog zijn geweest. Afstand maakt de oorlog absurd, en de soldaten van Malick voeren hun strijd op leven en dood in een wereld zonder betekenis. Ze hebben geen idealisme, geen beroepseer, koesteren geen dromen van glorie en onderscheidingen. Hun opdracht, het veroveren van een heuvel ergens in de Pacific, wordt voorgesteld als het summum van zinloosheid. Wat hen voortdrijft is angst, angst en nog eens angst. Ze kruipen rond in een universum zonder houvast.

Het is niet het enige universum. Tegenover de gruwel zet Malick een wereld van spontane schoonheid en harmonie, die even plotseling verschijnt als weer verdwijnt. Het is de manier waarop het licht door de wolken breekt, een vlucht exotische vogels, het zuchtje zomerwind dat het slaapkamergordijn doet opbollen in de herinnering van een van de soldaten aan een warme liefdesnacht. Telkens weer laat de regisseur die twee gezichten van het bestaan zien, wreedheid en bloeddorst, angst en zinloosheid aan de ene kant, schoonheid, harmonie en intense gevoelens van geluk aan de andere. Hij kan ze maar niet met elkaar rijmen. In de vele voice-overs die de gedachten van de soldaten moeten vertolken, eindigt dan ook bijna iedere zin met een vraagteken.

Hoe kan schoonheid samengaan met dierlijkheid, liefde met wreedheid, levenslust met doodsdrift?

Het zijn oude vragen waar de theologen hun tanden op stuk hebben gebeten, inmiddels verhard tot clichés. Dat Malick ze opnieuw stelt met het aplomb van iemand die er net opgekomen is, zegt veel: The Thin Red Line probeert de condition humaine te laten zien met nieuwe ogen. Dat hij daarbij impressionistisch te werk gaat en de natuur vooral van zijn prachtige kant laat zien daar heb je weer een kleurige kakatoe heeft hem het verwijt opgeleverd dat hij zijn verhaal aankleedt met New-Age filosofietjes.

New Age, die woorden hoor je tegenwoordig eigenlijk alleen nog in negatieve zin, meestal uit de mond van mensen die zichzelf geen enkele vraag meer stellen. Wat ermee bedoeld wordt, hoeft allang niet meer te worden uitgelegd, de twee woorden zijn een honend argument op zichzelf. Wat betekent New Age? Niemand die zich verwaardigt om het uit te leggen. Geloven zonder God, zou ik zeggen, en dat leidt in de meeste gevallen tot potsierlijke rituelen en een volkomen ongeloofwaardig soort instant-spiritualiteit. Het is waar dat de vragen die Malick zijn soldaten laat stellen religieus-filosofisch van aard zijn, zonder dat God erin voorkomt. The Thin Red Line is een film van een ongelovige die met een geloofsvraagstuk worstelt. Het grote vraagteken in The Thin Red Line is niet God, maar de natuur.

Anders gezegd: hoe kun je blijven geloven in het leven, wanneer je er de verschrikkingen van onder ogen hebt gezien?

Is die vraag zo gek? De meeste mensen staan tegenwoordig niet meer filosofisch geharnast in het leven. Ik ken niemand die er een enkelvoudig, rotsvast wereldbeeld op nahoudt, niemand die het geestelijke gereedschap heeft om zijn wereld een vaste, blijvende vorm te geven. Wanneer ideologie en geloof wegvallen, worden oude vragen weer als nieuw. De massale protestmarsen na de geweldsuitbarsting in Gorinchem maakten zo'n verdwaasde indruk, omdat er niet geprotesteerd werd tegen Turkse criminelen, niet tegen toenemend wapenmisbruik, niet tegen verloedering, maar tegen de zinloosheid. In wezen stelden de deelnemers aan de mars zich dezelfde vraag als Terence Malick in The Thin Red Line.

Wat je Malick kunt verwijten is de manier waarop hij zijn vraag verbeeld heeft. Hij zadelt het universum op met een onzinnige tweedeling, die twee gezichten die hij elkaar steeds weer laat afwisselen. Daarin verraadt zich een theologische achtergrond, het geloof in de traditionele scheiding tussen goed en kwaad, of beter gezegd, goedaardig en kwaadaardig. Dat zou je inderdaad New Age kunnen noemen, het aloude geloof in zuivere krachten, zowel positief als negatief. Die kakatoe op de boomtak is enkel en alleen mooi en glorieus, de bloederige strijd die zich onder hem in het gras afspeelt, staat voor de naakte verschrikking.

Is dat werkelijk zoals iemand zijn bestaan ondergaat? Het lijkt me een geruststellende constructie, een handzame symboliek die de werkelijke ervaring reduceert tot een ondubbelzinnige overzichtelijkheid.

Hoe onwerkelijk die constructie van het leven is, merk je wanneer je The Thin Red Line naast The Hours (De uren, uitgeverij Bert Bakker, vertaling Servaas Goddijn) legt, de terecht veelgeprezen roman van de Amerikaanse schrijver Michael Cunningham. Dat boek is een subtiel geconstrueerde hommage aan Virginia Woolf, een ode aan de literatuur ook, zonder cerebraal te worden. Uiteindelijk stelt Cunningham dezelfde vraag als Malick: hoe kun je in het leven blijven geloven, wanneer je het eenmaal als ondraaglijk hebt ervaren?

Anders dan Malick geeft Cunningham ook antwoord – en dat antwoord overtuigt en ontroert me. Zijn personage Clarissa Vaughn, een hedendaagse Mrs. Dalloway, levend in het New-Yorkse Greenwich Village, wordt op een enkele dag geconfronteerd met ziekte, dood, verlies, verraad, alles wat in The Thin Red Line ook voorkomt, maar veel minder heftig, minder dramatisch – zo ongeveer als we het zelf hebben beleefd of nog zullen beleven. Alles blijkt vergankelijk, beseft Clarissa, geen enkele inspanning zal beklijven.

En toch, en toch. Er zijn lukrake geluiden en geuren, het geratel van een tram, muziek uit de radio van de buren, bloemen in een vaas, die een onverwacht gevoel van harmonie bewerkstelligen. Niet de strakke tweedeling van Malick, maar diffuse impressies, half-bewust en ongrijpbaar.

,,Ja, denkt Clarissa, de dag zit er wel zo'n beetje op. We geven onze feesten; we verlaten onze gezinnen om alleen in Canada te gaan wonen; we schrijven met moeite boeken die de wereld niet zullen veranderen, ondanks onze gaven en onophoudelijke inspanningen, onze uiterst overdreven verwachtingen. We leiden ons bestaan, doen wat we moeten doen en dan gaan we slapen; zo simpel en gewoon als dat. Sommige mensen springen uit een raam, verdrinken zich, of slikken pillen; er sterven er nog meer door ongelukken, en de meesten van ons, de overgrote meerderheid, worden langzaam verteerd door een andere ziekte, of, als we veel geluk hebben, door de tijd zelf. Er is slechts één vertroosting: een uur hier en daar waarin ons leven, tegen alle waarschijnlijkheid en verwachting in, lijkt open te barsten en ons alles geeft wat we ooit hebben gewild, hoewel iedereen behalve kinderen (en misschien zelfs zij) weet dat deze uren onvermijdelijk gevolgd worden door andere, die veel zwaarder en moeilijker zijn. Niettemin houden we van de stad, de ochtend, hopen we vooral op meer.''