Alleen sterven deed hij rustig

Bijna tien jaar na het eerste is nu het tweede deel van Richard Holmes' biografie van Samuel Taylor Coleridge verschenen. Het eerste deel ging over de gloriejaren van Coleridge, de briljante jonge dichter die samen met Wordsworth de nieuwe richting voor de Engelse poëzie aangaf (Lyrical Ballads, 1798). Het laatste deel begint bij de reis van de dichter naar Malta in 1804 en eindigt met zijn dood in 1834. De laatste dertig jaar waren volgens de gangbare opvatting teleurstellend, met filosofische en kritische ideeën in plaats van de poëzie. Maar uitgedoofd was Coleridge niet. Voorzover er van teleurstelling gesproken kon worden, bestond die wel op een hoog niveau.

Coleridge baande zich een weg door een bestaan dat gekenmerkt werd door onvervulde liefdes, complete vriendschappen en onthutsende vervreemding, drugsverslaving, geldgebrek, creativiteit, onmacht, zelfverachting, roem en verwaarlozing. Zijn opnemingsvermogen en geheugen leken onbegrensd. Hij putte uit de filosofie van Plato tot Schelling om zijn ideeën in perspectief te zetten en hij hield lezingen over de hele Europese literatuur, behalve over de Fransen, want die vond hij eigenwijze, oppervlakkige denkers.

Vijftien jaar heeft Holmes aan het hele werk besteed, met als bijproduct een geannoteerde Selected Poems (1996). Holmes heeft zich met alle grondstoffen van het werk van Coleridge vertrouwd moeten maken. Af en toe klinkt hij in zijn tweede deel of hij even overstelpt was en een korte vakantie nodig had. Maar dat mag hem niet worden verweten. Het brengt hem nader tot de lezer. Kortgeleden, in 1996, is er nog een biografie van Coleridge verschenen, geschreven door Rosemary Ashford van University College London. Zij behandelt hem in half zoveel pagina's, scherpziend, maar minder bij hem betrokken.

Wie zich een voorstelling wil vormen van Coleridges intellectuele potentie kan voor het gemak beginnen bij zijn ontmoeting aan de zuidkust in 1817 met Henry Francis Cary die Dante had vertaald. Cary gaf hem zijn Inferno mee om in te kijken. Toen zij elkaar de volgende dag weer ontmoetten, citeerde Coleridge er uit zijn hoofd lange passages, die hij voor de duidelijkheid aanvulde met de overeenkomende stukken in het Italiaans.

Oude bekenden van hem zouden er niet door verbaasd zijn. Als hij een serie van veertien lezingen moest houden over literatuur of filosofie maakte hij aantekeningen, maar hield ten slotte hele betogen zonder daar een blik op te slaan. Wanneer hij in conditie was sprak hij alsof zijn ideeën hem voortstuwden. Madame de Staël, zelf ook een moeilijk stuitbare prater, moest haar meerdere in hem erkennen toen zij Coleridge in Londen ontmoette: `Avec M. Coleridge, c'était le monologue'. Als zij geen Française geweest was, had hij haar misschien meer ruimte gegund.

Kant

Een prettiger waardering kreeg hij toen hij na een diner in 1811 met een professor van Oxford in discussie raakte over Kants metafysica. Iedereen verwachtte dat de dames, inclusief enkele vrolijke meisjes, zich terug zouden trekken. Na even luisteren kwamen zij echter om hem heen en aan zijn voeten zitten.

Als de dames daarna iets van zijn kritische of filosofische proza hadden willen lezen, zouden zij waarschijnlijk ontmoedigd zijn geraakt. Zijn gedichten zijn vrij toegankelijk. Maar zijn geleerde uiteenzettingen hebben ook belezen tijdgenoten nogal eens afgeschrikt of geërgerd, wanneer hij te veel abstracties tegelijk geloofwaardig probeerde te maken. Een van zijn hoofdwerken is Biographia Literaria, in 1815 in zes maanden geschreven. Daarin brengt hij zijn filosofie en kritische opvattingen bijeen met persoonlijke herinneringen en een beoordeling van de poëzie van zijn voormalige vriend Wordsworth. In zijn oorspronkelijke vorm was dit al een onberekenbare tekst met vele voetnoten, maar de moderne uitgave van de Princeton University Press is verrijkt met een nieuwe laag voetnoten, die de lectuur verstoren en toch moeilijk kunnen worden gemist. Wie zich in Coleridge wil inwerken moet eerst overwegen dat het verzamelde werk uit vijftien zulke delen bestaat, gevolgd door de Poetical Works als zestiende. Het zou verscheidene jaren werk betekenen.

Zo'n toewijding kan niet worden verlangd van een gewone lezer. Zo iemand moet zich in eerste instantie tevreden stellen met Richard Holmes, die de man zelf in het zicht brengt en de lijn aangeeft van zijn filosofie. Soms is het een vreugde om hem te zien leven. Zoals in 1804 op de boot (in konvooi, het was alweer oorlog) naar Malta en bij de tussenlanding in Gibraltar, waar hij de onbekende wereld van open zee en scheepvaart ontdekte. Voorbij Gibraltar kreeg hij weer last van de maagkrampen en bijkomende symptomen die hij hoopte te overwinnen, neemt opium, althans de verdunde vorm laudanum, en voelde zich miserabeler dan ooit. Maar het ging over. Op Malta leek hij even een nieuw mens, gesteund door de goede verstandhouding met de gouverneur die hem in huis ontving en hem werk voor de overheid liet doen. Maar telkens kwamen er weer crises die met laudanum moet worden bestreden.

Eind 1805 keerde Coleridge terug naar Engeland. Daar had hij geen vaste woonplaats, want bij zijn vrouw Sara kon hij het niet uithouden. Hij logeerde op verschillende adressen, met als voornaamste standplaats het huis in het Lake District van zijn oude vrienden: de Wordsworths. Die konden aanvankelijk veel van hem hebben, totdat zijn onregelmatige leven en wisselvallige gezondheid hun te machtig werd. Hij moest weg. In 1810 zou hij onderdak gekregen hebben bij een familie van Londense bewonderaars als Wordsworth hun niet een brief had geschreven met inlichtingen over zijn levensstijl, waarna de uitnodiging ingetrokken werd.

Hierdoor werd een van de grote vriendschappen van de Engelse literatuur voorgoed verstoord. Coleridge voelde zich verraden. Wordsworth vond dat hij verplicht was geweest om zijn brief te schrijven. De lezer gaat zich onbehaaglijk thuis voelen in hun wereld van nijd en verzwijging en uitleg aan derden.

Gelukkig nam een andere goedwillende familie in Londen Coleridge over. Hij mocht daar enige jaren wonen. Er werden altijd mensen gevonden die hem korter of langer konden ontvangen. Een eigen huis had hij niet, noch een bibliotheek, alleen een stelletje boeken. Het is een van de wonderen van zijn begaafdheid dat hij zo'n massale belezenheid in zich droeg, en een kleiner wonder dat hij ooit tijd vond om er iets nieuws bij op te steken.

Nadat de goedwillende familie failliet was gegaan in de economische recessie na de Napoleontische oorlog kreeg Coleridge in 1815 onderdak bij een arts: James Gillman, in Highgate. James en Ann Gillman bleven tot zijn dood zijn hoeders, de laatste elf jaar in een huis aan The Grove, waar hij zijn kamer had met uitzicht over de heuvels van Hampstead Heath.

Eenzame overlevende

Intussen had hij ook nog zijn vrouw en drie kinderen. Hij probeerde geregeld bescheiden bedragen te sturen, wat niet altijd lukte. Van zijn vrouw hield hij afstand. Zijn kinderen miste hij. Toen zij opgegroeid waren, bleef hij zoveel mogelijk aandacht aan hen besteden. Zijn dochter Sara heeft na zijn dood uitgaven verzorgd van verscheidene van zijn werken, waaronder de Biographia Literaria.

In de laatste twintig jaren van zijn leven leek hij nu eens de voornaamste dichter en denker van Engeland, dan weer, als een van zijn werken door een paar vooraanstaande critici in de grond gestampt was, een eenzame overlevende. Hoe erg hij de afbrekende kritieken vond, is niet vast te stellen. Wel is zeker dat zij hem veel geld kostten doordat uitgevers zoals John Murray terugschrokken voor zijn boeken. Af en toe kwam er een honorarium of een lening binnen. Een inkomen had hij nooit, een vermogen nog minder.

Tegenwoordig heeft Coledridge sinds lang de positie van een van de grootste en moeilijkste studie-objecten van de Engelse literatuur. Zijn kritische uiteenzettingen zijn ten dele gericht op de schrijvers die hij behandelt. Maar daarnaast wil hij algemene beginselen aan de lezer kenbaar maken, als onderdelen van een groot systeem. `The IMAGINATION I hold to be the living Power and prime Agent of all human Perception, and as a repetition in the finite mind of the eternal act of creation in the infinite I AM'.

Zulke ideeën hebben hem vertrouwd en zelfs beroemd gemaakt bij de gemiddelde lezer, zegt Richard Holmes, die er vijftien jaar mee geleefd heeft. Coleridge's tijdgenoten waren daarvan niet zo zeker, het nageslacht evenmin. Om hem te begrijpen moeten wij ons in hem verdiepen, de buitenwereld uitschakelen en het vermogen om tegenstrijdige gedachten een gezamenlijke betekenis te geven met de fijnste zorg aan het werk zetten. Wie het goed doet zal steeds meer gaan begrijpen van Coleridge's idee van eenheid, van de wereld als een samenhangend organisme, vertakt als een boom.

Dat is het beeld dat zijn filosofie vervulde, met zoveel beroep op niet steeds bij hun naam genoemde achttiende-eeuwse Duitse denkers dat hij te kampen heeft gehad met beschuldigingen van plagiaat. Ook dat nog, terwijl hij alles uit zijn eigen hoofd haalde en niet voortdurend bijhield hoe iets er terechtgekomen was. Alleen zijn poëzie was geheel eigen werk. Daarvan is vaak gezegd dat hij het voornaamste achter zich had op zijn dertigste, voordat hij zijn reis naar Malta maakte. Dat betekent echter niet dat Coleridge daarna afgedaan had. Nog voordat bepaald is of het hele universum als een eenheid gezien kan worden, ondervinden wij in ieder geval dat hijzelf een eenheid was, al leken zijn onnavolgbare gaven en onvermogens hem soms uit elkaar gescheurd te hebben. Alleen sterven deed hij rustig. Mijn hoofd is heel helder, was een van de laatste dingen die hij zei: `I could even be witty.'

Richard Holmes: Coleridge. Darker reflections. HarperCollins, 622 blz. ƒ79,60