Alleen het beste is goed genoeg

Staatssecretaris Van der Ploeg wil de kunsten verder spreiden. Hij vergist zich: de kunsten moeten gered worden uit de greep van de vrijetijdscultuur.

Het grote voordeel van een econoom op kunstzaken is, dat zo'n man als de beste kan zien wat zijn voorgangers maar niet wilden opmerken: hoe rijp ons land is voor een nieuwe Gouden Eeuw! Want dat florissante tijdperk, dat nog steeds de basis is voor bijna alles wat wij voorstellen in de wereld, was op de eerste plaats gebouwd op economische gronden. Op dezelfde overvloedige nationale rijkdom als wij nu weer beleven. Ook nu weer bevaren wij de hoogste wereldzeeën, al voeren onze schepen, die destijds eenvoudig de Batavia of de Vergulde Draeck heetten, inmiddels meer gekunstelde namen als Aegon, Ahold en Unilever.

Inderdaad zijn er tekenen dat staatssecretaris Van der Ploeg in het eerste halfjaar van zijn bewind de Gouden Eeuw goed bestudeerd heeft. In ieder geval getuigen zijn kunsteconomische opvattingen van een zeker terugverlangen naar die mooie tijd, toen ontelbare schilderkunstige meesterwerken tot stand kwamen op een volslagen vrije markt. De schilders van de zeventiende eeuw werkten, net als de bakkers en de slagers, als meer of minder succesvolle entrepreneurs, waarbij ze zich om concurrentieredenen specialiseerden in bepaalde genres. Zij hadden ook opdrachten, maar lang niet zoveel als kunstenaars in andere landen, dus moesten ze zich wel profileren op de markt. Met hun winkeliershouding produceerden zij gezamenlijk een kolossale berg kunstwerken die aanzienlijk meer eeuwigheidswaarde bleek te bezitten dan de omvangrijke kolonialistische economie waarop de berg rustte. Waarom zouden hedendaagse kunstenaars, door hun oren net zo ongeremd naar de markt te laten hangen als hun onsterfelijke voorgangers, niet op even grote hoogte kunnen presteren?

Het is zeker waar dat onze kunstenaars van het gemarchandeer van bijvoorbeeld Rembrandt, om meteen maar de grootste te noemen, nog heel wat kunnen leren. Rembrandt, die vond dat hij nooit genoeg geld had, verkocht etsen van oude, licht gewijzigde etsplaten als nieuw. Hij leverde bestelde schilderijen af die nog niet helemaal klaar waren en vroeg dan bijbetaling voor de finishing touch. Hij verklaarde zich failliet om van zijn schuldeisers af te komen en trad vervolgens in loondienst van een firma op naam van zijn vrouw. Dergelijke praktijken horen in onze ogen bij doortrapte zakenlieden en niet bij kunstenaars. Een naïef standpunt. Het zou goed zijn als kunstenaars zich wat zeventiende-eeuwser gingen gedragen.

Misschien zouden de kunstenaars eens deze overeenkomst moeten sluiten met de staatssecretaris: dat zij zich op rembrandteske wijze op de markt storten, en dat hij er, als tegenprestatie, voor zorgt dat die markt er wat zeventiende-eeuwser gaat uitzien. Voor de kunstenaars zou het betekenen dat ze niet alleen moesten leren verkopen, maar ook weer heel knap naar de werkelijkheid leren schilderen. De staatssecretaris op zijn beurt zou niet alleen alle subsidies moeten afschaffen, maar ook de kunstenaars hun beeldmonopolie teruggeven. Want op de zeventiende-eeuwse markt, zonder foto's en films, zonder beeldschermen en billboards, waren alle afbeeldingen, uitbeeldingen en verbeeldingen, tot de uithangborden aan toe, het werk van kunstenaars.

Het zou een mooie deal zijn, en op z'n minst een vruchtbare oefening voor beide partijen.

De kunstenaars zouden de schilderijen van Rembrandt beter bekijken dan ooit en de oude tovenaar gaan bewonderen zoals ze nog nooit hebben gedaan. Zijn financiële manipulaties zouden al snel verdwijnen onder hun bewondering, en ze zouden tot het even pijnlijke als bevrijdende inzicht komen dat ze in hun eigen werk vooral één ding schromelijk hebben verwaarloosd: bewondering afdwingen.

De staatssecretaris zou duidelijker dan ooit de volle omvang zien van het wijdvertakte netwerk van beelden die, bang als ze zijn om door niemand te worden opgemerkt, ons dag in dag uit van alle kanten toeschreeuwen. Zijn ogen zouden worden geopend voor de heksentoeren die kunstenaars met hun werk moeten uithalen, om te midden van al dat beeldgeweld nog een plaatsje te veroveren op enig menselijk netvlies.

Zo'n eye-opener zou de staatssecretaris beslist goed doen, en hem mogelijk zelfs tot het besef brengen dat wij tot onze nek zijn ondergedompeld in een democracy of culture.

Tweedeling

Bij zijn aantreden, vorig jaar september, verklaarde Van der Ploeg dat er een tweedeling dreigt te ontstaan tussen de elite- en de massacultuur, en dat wij van een aristocracy of culture over zullen moeten gaan naar een democracy of culture.

Wie die twee uitspraken logisch combineert kan slechts concluderen dat de staatssecretaris, om een vermeende tweedeling te voorkomen, de aristocratische elitecultuur wil laten plaatsmaken voor een democratische massacultuur. Had hij dat nou maar gezegd! Dan had hij tenminste nog dicht tegen de maatschappelijke werkelijkheid aan gezeten.

Hij bedoelde echter iets heel anders: dat de elitecultuur, die uiteraard ons hoogste goed is, nog aanzienlijk beter zal worden wanneer zij zich onder de massa zal hebben verspreid. Hij drukte met andere woorden niets anders uit dan het aloude, onverbeterlijke ideaal van de verheffing van het volk.

Maar het volk laat zich helemaal niet verheffen, daar hebben de sociologen al uitgebreid op gewezen. Wie niet met kunst vertrouwd is, wint er meestal niets bij door zich er opeens in te gaan verdiepen. De eigen omgeving ontmoedigt zo'n culturele sprong alleen maar, en de kunstomgeving, die altijd een frustrerende voorsprong zal houden, ook. Het collectief wegwerken van achterstand op kunstgebied is al net zo heilloos als het collectief wegwerken van taalachterstand. In de voorbije decennia zijn daar miljoenen in gestoken zonder dat het ook maar iets heeft uitgehaald.

Niettemin leven wij allang in een democracy of culture, zij het niet in de variant die de staatssecretaris in zijn hoofd heeft. Onze cultuur is niet gedemocratiseerd door verheffing maar door vervlakking. Of wij het willen of niet, ons bestaan is vergeven van wat de Amerikaanse kunstcriticus Clement Greenberg al bijna veertig jaar geleden aanduidde met het verzamelwoord kitsch:een vrijetijdscultuur waarin kunst en leven gedachteloos in elkaar overlopen. De populaire, commerciële cultuur van de Hollywoodfilms, flutromans, stripverhalen, tijdschriften, reclame, muzak, etcetera. Fenomenen die zich sindsdien alleen maar hebben verveelvoudigd met disco's, soaps, computerspelletjes, popfestivals, speelhallen, merkkleding, droomvakanties, enzovoort.

De behoefte aan zo'n massacultuur begon al te ontstaan in het midden van de negentiende eeuw, toen er voor het eerst artistieke avant-gardes opkwamen die zich afkeerden van hun publiek. Voor de kunstenaars was dat de enige manier om de kunst in beweging te houden en op te tillen naar het absolute, zoals Greenberg het uitdrukt. Het gevolg was dat er steeds meer kunst kwam die niet meer door de wereld, maar nog slechts door haar eigen artistieke wetten en mechanismen werd gevoed. Tot ze uiteindelijk, in onze eeuw, puur abstract en monochroom wordt. Het volk is dan allang afgehaakt. Gegroeid en verstedelijkt en geïndustrialiseerd als het is, heeft het gezorgd voor zijn eigen verstrooiing, een kitschcultuur die wel van de elitecultuur is afgeleid, maar aangepast en voor direct gebruik gereedgemaakt.

Er heeft lang een tweedeling bestaan tussen beide culturen, ook al zegt de staatssecretaris dat die nu pas dreigt. Zij is juist minder scherp dan tevoren, doordat in onze tijd de zogenoemde hoge cultuur langzaam maar zeker oplost in de lage. Het verzet van het volk tegen de elitecultuur is duidelijk heel wat taaier geweest dan het verzet van de elite tegen de cultuur van de massa. Het volk heeft nooit bekakt en met twee woorden willen spreken, maar de elite kun je intussen reuze blij maken met een pot bier, liefst in combinatie met een pot voetbal.

Nu moet je er niet aan denken dat iedereen zich het taalgebruik van de elite had aangemeten. Dan zou onze maatschappij nu gebloeid hebben als een dood bos. Waar het om gaat is dat onze explosief gegroeide rijkdom – het aantal miljonairs in Nederland is in één decennium meer dan verdubbeld tot 200.000 – zich in van alles uitdrukt, maar niet in een nieuw cultureel elan. Aan zoiets hebben onze nieuwe rijken helemaal geen boodschap.

In de zeventiende eeuw verbaasden buitenlandse reizigers zich over de alomtegenwoordigheid van schilderijen in Amsterdam, niet alleen in dure burgermanshuizen, maar ook in winkels en werkplaatsen, op markten en in herbergen. Nu staat de polder alleen nog model voor politici en niet meer voor schilders. Dat krijg je ervan als de regering paars is, alle dieren gelijk zijn en iedereen zich uitdrukt in het ABCDE, het Algemeen Beschaafd Consumptief Democratisch Economentaaltje.

Tevreden

De kunst, die naar haar aard consumptief noch democratisch is, heeft het moeilijk met dat tevreden volkje. Maar ze heeft het vooral moeilijk met zichzelf, want ze twijfelt aan haar eigen maatstaven. De tijd dat zij zich nog van het publiek kon afkeren om geheel op eigen kracht het absolute te gaan zoeken, en nog te vinden ook, is voorgoed voorbij. Inmiddels voedt zij zich weer met de wereld, maar zie, ook bij haar lopen kunst en leven nu gedachteloos in elkaar over.

Grote ideeën heeft de kunst niet meer, zich groots uitdrukken kan zij niet meer. Maar zij wil de toeschouwer nog wel uitnodigen `aan haar sleutelgat te luisteren en haar dagelijks leven tot in de details te begluren' (uit een folder over een van de kopstukken van de jonge Britse kunst).

Veel hedendaagse kunstenaars vallen in hun werk terug op hun eigen leven en omgeving, alsof dat het enige is waar ze nog zeker van zijn. Zij bouwen bijvoorbeeld hun tienerkamer na in het museum. Maar mogen al die letterlijke, soms nauwelijks vormgegeven indrukken ook kunst heten? Kunst leeft bij distantie, juist omdat ze in één gebaar heel veel moet doen: nieuwsgierigheid wekken, de bevrediging van die nieuwsgierigheid opschorten en de opschorting benutten om de toeschouwer aan het denken te zetten. Niet niks dus. Wie zoiets wil volbrengen moet van goeden huize komen. Maar hoe zal dat een kunstenaar nog lukken als de staatssecretaris van Cultuur de aristocratie heeft afgeschaft?

De staatssecretaris had bij zijn aantreden precies het omgekeerde moeten zeggen van wat hij gezegd heeft. Dat de elitecultuur in ras tempo in de massacultuur aan het verdwijnen is, en dat wij daarom van een democracy of culture moeten overgaan naar een aristocracy of culture.

`Democratie' is een formele term die zegt wie er regeert: het volk (demos). `Aristocratie' is een kwalitatieve term die zegt wat er regeert: het beste (aristos). Welnu, hoe zou de kunst zich ooit door iets anders kunnen laten leiden dan door het beste? Waarom zou de kunst zich de wet laten voorschrijven door het volk om geen andere reden dan dat het het volk is?

De fixatie op democratie in de kunsten is helemaal niet nodig, het is daar met de democratie allang dik in orde – al is het waar dat mensen die niets liever dan een volmaakt strakke vlakte zien, een molshoop al gauw waarnemen als een onheilspellend hooggebergte. Dat neemt niet weg dat in Nederland iedereen die ogen heeft kunst kan kijken, en iedereen die talent heeft kunst kan maken.

Bij het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, de belangrijkste subsidieverdeler in Nederland, heeft het democratisch gehalte van de procedures bijna een natuurlijke grens bereikt. Alle commissies worden hoogst zorgvuldig samengesteld, leggen aan Jan en Alleman verantwoording af en wisselen regelmatig van samenstelling. Zo regelmatig dat het steeds meer moeite kost om geschikte nieuwe kandidaten te vinden. Desondanks heeft het Fonds zich onlangs geroepen gevoeld een extra commissie in te stellen, om eens na te denken over de vraag wanneer iets nu eigenlijk kunst is. Een veelzeggend teken. Blijkbaar twijfelen de democratische deskundigen, kunstkenners par excellence, al evenzeer aan hun maatstaven als de kunstenaars.

Het probleem van de kunst is niet dat niet iedereen er deel aan heeft, het probleem is dat zij niet meer weet wat het beste is. En als zij dat niet meer weet, hoe moet zij dan weten wat zij nog kan betekenen? Hoe kan zij dan nog bewondering afdwingen? Hoe kan de kunst, zonder notie van wat het beste is, nog pretenderen beter, waardevoller, bestendiger te zijn dan alles waar de consumptief democratische instantcultuur al zo overvol van is?

De kunst, die niet noodzakelijk een idee hoeft te hebben van wat het lekkerste, geilste of coolste is, kan het nooit stellen zonder een idee van het beste. Dankzij dat idee kan zij onverschillig staan tegenover de bewondering die zij moet afdwingen in plaats van die als het hoogste doel te beschouwen. ,,Het sociale gehalte van kunstwerken ligt soms juist in het protest tegen sociale receptie'', heeft Theodor Adorno gezegd en zo is het, altijd geweest. Het gold ook al voor de marchanderende Rembrandt. Zijn kunstwerken protesteerden tegen de sociale receptie door de Oranjes, die voor de beschildering van hun paleisplafonds dan ook liever een beroep deden op barokke Vlamingen.

Ooit kon de kunst zich ontwikkelen omdat er vrije tijd kwam. Nu zijn we op een punt beland dat de kunst door de vrijetijdscultuur wordt opgeslokt. Wat de kunst nu nodig heeft is vrij zijn van de vrijetijdscultuur.

Dat is het enige werkelijk nuttige dat de staatssecretaris voor de kunst kan doen: middenin onze volle polder gaan staan en ruimte maken voor een cultuur van het beste.

De vraag is echter of we wel op hem moeten wachten. Misschien kunnen wij maar beter meteen het hele kunstbeleid afschaffen. Het hele kunstbeleid en alle economen. Want in de Gouden Eeuw was er helemaal geen kunstbeleid, en economen werden pas een eeuw later door Adam Smith uitgevonden.

Het probleem van de kunst is dat zij niet meer weet wat het beste is

De fixatie op democratie in de kunsten is overbodig, het is daar met de democratie allang dik in orde