Winter aan de Oostzee

Pärnu, in Estland, heeft een roemrucht verleden. Eeuwenlang betwist door Russen, Polen, Duitsers en Finnen, kent de badplaats sinds het vertrek van de Sovjets ongekende rust. Het toerisme floreert er nog steeds, al is het niet meer zoals in de tijd van de Sovjet-overheersing, toen intellectuelen een modderbad kwamen nemen in Pärnu. Het zijn nu vooral Finse trainingspakken en dronkelappen die naar de Oostzee komen. Een portret.

Veel passagiers zijn er niet voor de trein naar de badplaats, het is winter. Langzaam schuiven we de stad uit, de sneeuwvelden in. Ik wil naar Pärnu om de bevroren Oostzee te zien en het rose gestuckte sanatorium in de sneeuw. Voor me zit een man met een Russische bontmuts op, achter me breit een vrouw een grijze sok. We duiken een bos in van sparren en pijnbomen met zwaar door sneeuw beladen takken. De hele wereld lijkt wit. Een uur later stoppen we in een open plek voor een groen houten stationnetje dat ik me herinner uit de zomer toen het in een tuin vol pioenrozen stond. Dezelfde vrouw in een blauw uniform, met een rood hoedje op, nu met een bontjas om haar schouders, zwaait ons uit. We trekken het bos weer in.

Ik kijk naar kleumende berken en vraag me af hoe de `Woudbroeders' de winters overleefden. Vanaf het begin van de jaren veertig schuilden Estse vrijheidsstrijders in deze bossen. Ze sliepen in onderkomens die op vossenholen leken en aten wat de natuur hun bood. Vanuit deze ballingsoorden bestookten ze de Sovjet-Russen. Decennia lang. Pas in 1978 werd de laatste `broeder' door de KGB opgespoord. Hij zat te vissen in een riviertje. Toen hij begreep dat hij erbij was, sprong hij in het water en verdronk. Na de onafhankelijkheid kon daar voor het eerst ongestraft over worden gesproken en is de geschiedenis van de Woudbroeders door historici in kaart gebracht.

Buiten springt een vos door de sneeuw. Beren en wolven moeten hier ook zitten, maar die laten zich vandaag niet zien. De trein ratelt een brug over. We naderen Pärnu.

De stad ligt gunstig in de monding van een rivier die uitkomt op een baai, die weer toegang geeft tot een grotere baai. Misschien ligt Pärnu wel te mooi. Eeuwenlang hebben Russische, Zweedse, Duitse en Poolse heersers elkaar het bezit van de stad betwist. In 1710, na de zoveelste oorlog en een pestepidemie, waren er binnen de muren nog 36 mensen in leven. Alles moest van begin af aan worden opgebouwd. Maar eind vorige eeuw keerde het ongelukkige tij. De spoorlijn kwam en langs het strand werd een uitgestrekt park aangelegd. Pärnu kreeg de naam van een badplaats waar het goed toeven was.

Behoedzaam stuurt de taxichauffeur over met linden omzoomde allees. Bij de boulevard stap ik uit. De draaimolen zit vastgevroren, de glijbaan ligt bedolven onder sneeuw.

Sinds de eerste badgasten kwamen, is er weinig veranderd op het strand van Pärnu. 's Zomers recreëren hier mensen zoals ze altijd hebben gedaan. Ouderen vinden het nog steeds niet gepast om in het zand te zitten, in het voorjaar worden banken voor hen klaargezet. Mannen stropen hun broekspijpen op, kinderen bakken taartjes van zand. Iedereen brengt zijn eigen versnaperingen mee. Er zijn geen snackbars, geen radio's, geen terrassen met muziek. Wel een vrouwenstrand, dat is verderop.

Eerst dacht ik dat een moderne actiegroep daar de hand in had gehad, maar het vrouwenstrand bestaat al zo lang als de mensen zich kunnen herinneren. Het stamt uit de tijd dat het nog gênant was voor een vrouw om zich en plein public in een badpak te vertonen. Nu zit iedereen er poedelnaakt. Jonge, slanke meisjes en baboesjka's met littekens over hun voloptueuze borsten en buiken. Boven op het duin zit altijd een vrouw die nieuwsgierige mannen luidkeels verjaagt als dat nodig is, maar dat is zelden het geval. Op een stralende zomerse dag hoor je op het vrouwenstrand alleen het af en aan rollen van de zee en het gekabbel van vertrouwelijke gesprekken die in het Ests, Russisch of Fins worden gevoerd.

Ik loop naar de bevroren branding toe, worstelend door bergen sneeuw. Hoe ver zou je kunnen komen? Heel in de verte vaart een schip, daar is de zee nog open. Als de vorst blijft aanhouden, rukt het ijs nog verder op en kunnen de wegen naar de eilanden worden geopend, aangegeven met vlaggen. Volstrekt veilig beweren alle Esten, maar elk jaar verdwijnen weer auto's naar de bodem van de zee. De ijsvlakte is immens, wit poeder waait me in het gezicht. Met een grote boog kom ik bij het Rannahotel, dat als een gestrand passagiersschip aan de boulevard ligt. Het is in de jaren dertig gebouwd op initiatief van de toenmalige president van Estland, Konstantin Päts; een strak gebouw, in functionalistische stijl, met één overheersende, ronde vorm. De president wilde een hotel met allure, hij was naar Miami geweest en het strandleven daar had hem gecharmeerd. Slechts twee zomers heeft hij van het Ranna kunnen genieten, toen kwamen de Russen: het Ranna werd geconfisqueerd en president Päts stierf in Siberië.

Afgelopen zomer vergezelde een Amsterdamse vriendin me naar Pärnu, ze vond het Rannahotel, nu in oude luister hersteld, `helemaal niet Ests' en wilde ergens anders eten. Nu is het altijd de vraag wat een mens zoekt in een ander land, maar de Esten zijn trots op deze creatie van hun architect Siinmaa. Het staat voor de welvaart van `de Eerste Republiek', het laat zien dat de Esten, een boerenvolk, toen wisten hoe het hoorde.

Een deur zwaait open. De portier helpt me uit mijn jas en begeleidt me naar het restaurant. Ik kies een tafel aan het raam met uitzicht over de witte zee. 's Zomers zit het hier vol met succesvolle jonge mensen uit de hoofdstad. Vandaag zijn maar twee stellen gekomen voor de zondagse lunch. Terwijl ik mijn menu bekijk, rinkelen hun mobiele telefoons. Ik besluit de zalm te nemen, met spinaziesaus en aardappelpuree. Er staat een sterretje bij, dat betekent dat dit gerecht ook voor de Tweede Wereldoorlog geserveerd werd, gedurende die twee zomers dat het Ranna open was.

Met een licht hoofd vol Australische wijn loop ik het park van Pärnu in en verder langs houten huizen van honderd jaar oud, versierd met torentjes, balkons en serres van glas. Voor de deur van konditorei Charlotte raak ik in gesprek met meneer Hopp, hij werd bijna tachtig jaar geleden in Pärnu geboren. ,,In de Sovjet-tijd, vertelt hij, ,,kwamen hier mensen van niveau, intellectuelen uit Moskou en St. Petersburg, musici, acteurs, docenten van de universiteit. Nu zijn onze buitenlandse gasten Finnen. En die bevallen me niet.'' Hij constateert het treurig. ,,Ze komen zo uit het bos. Nog nooit een boek gelezen. Ze lopen de hele dag in een trainingspak en zelfs de oude vrouwen drinken zich graag een stuk in hun kraag.'' Dan relativeert hij: het is weer zoals tijdens de Eerste Republiek. Toen was Pärnu ook niet voor de elite. Kindermeisjes uit Zweden, dat was het publiek. Meneer Hopp steekt zijn stok omhoog voordat hij in een sneeuwstorm verdwijnt.

De wind blaast me over de Esplanaadi, ik schuil bij een expositie van moderne Hongaarse kunst in het voormalige hoofdkwartier van de communistische partij. Dan meld ik me bij Villa Marleen, waar ik een kamer heb gereserveerd. Tot mijn spijt ben ik ondergebracht in de nieuwe dependance, waar alles `euro verbouwd' is, zoals dat in Estland wordt genoemd: de leidingen zijn verborgen achter gipsplaat en het behang heeft een bies. De eigenaresse vertelt dat de drie kamers die ze verhuurde niet meer voldoende waren. Elke zomer is ze van begin tot eind volgeboekt. Villa Marleen is door haar grootvader gebouwd, hij had het witte huis aan haar vader nagelaten. En haar vader, ach, tranen springen in haar ogen. Soms is het verleden in Estland nog zo vers. In '44, toen duizenden Esten naar Zweden en Finland vluchtten om aan de Russen te ontkomen, haastte ook haar vader zich naar de haven. Maar hij kwam te laat: in de verte zag hij het laatste schip dat Pärnu zou verlaten aan de horizon verdwijnen. Aan boord bevonden zich zijn vrouw en zijn kinderen. Eenzaam bleef hij in Pärnu achter. In de loop van de jaren was hij opnieuw getrouwd en werd zij geboren. Pas na de onafhankelijkheid had ze haar halfbroers ontmoet. God zij geprezen hadden die geen deel van Villa Marleen opgeëist, integendeel, ze hadden haar geld geleend om een pension te beginnen. Haar ouders waren inmiddels gestorven en begraven op het kerkhof van Pärnu. Toen de eerste vrouw van haar vader in Zweden overleed, is haar lichaam overgebracht. Nu ligt haar vader tussen zijn twee vrouwen in.

Maandagochtend om negen uur heb ik een afspraak voor een modderbad in de Mudaravila. Het gebouw is door dezelfde architect ontworpen als het Rannahotel, maar het biedt onderdak aan een heel ander publiek. In de hal wachten een paar vrouwen met afgetobde gezichten en een stok in de hand. Het grootste deel van Pärnu's badgasten bestaat uit Finnen met een kwaal en een smalle beurs; zij worden behandeld door een leger artsen, masseurs en fysiotherapeuten. Ik klop op deur 36, het nummer op het briefje dat de strenge dames van de receptie me hebben gegeven.

Binnen is een stevige vrouw aan het dweilen. Ze begint in het Fins, schakelt over op Russisch, dan Ests, maar spreekt ook een paar woorden Engels. `One minute ot', zegt ze als ze me, eenmaal ontkleed, neerdrukt op een bed vol gloeiend hete, stinkende modder. In een paar bewegingen heeft ze me in een rubberen deken gevouwen en tot een mummie gemaakt. `Fifteen minutes', zegt ze en verdwijnt. Ik geef me over aan de weldadige warmte die in mijn lichaam trekt.

Als de zomer komt, denk ik met gesloten ogen, dan is de strandsalon aan de overkant weer open. Elke avond zal het orkest spelen en zullen paren over het parket walsen. De hete modder heeft de winter uit mijn koude botten verdreven. Het is juni, de zon schijnt en ik lig op het vrouwenstrand.