`Uranium El Al-Boeing verwaarloosbaar risico'

Ten overstaan van de enquêtecommissie kwamen vandaag de gevaren van verarmd uranium voor de gezondheid aan de orde.

De radioactieve straling van het verarmde uranium aan boord van de El Al-Boeing, die in 1992 op de Bijlmer neerstortte, vormde een ,,verwaarloosbaar risico'' voor de gezondheid van bergingswerkers, hulpverleners en bewoners.

Dit verklaarde de stralingsdeskundige A.S. Keverling Buisman van het Energie Onderzoek Centrum Nederland (ECN) in Petten vanmorgen voor de enquêtecommissie die de toedracht van de ramp namens de Tweede Kamer onderzoekt.

Veel mensen uit de Bijlmer en mensen die in hangar 8 op Schiphol, waar de wrakstukken van het vrachtvliegtuig waren opgeslagen, klagen al enkele jaren over gezondheidsproblemen. Zij uitten regelmatig het vermoeden dat er een verband zou kunnen bestaan met de straling van het verarmde uranium, dat in de staart van het toestel was verwerkt als contragewicht. Vooral het inhaleren van het geoxideerde uraniumstof zou gevaarlijk zijn geweest. Ruim 150 kilo is nooit teruggevonden.

Keverling Buisman vergeleek het effect van de dosis straling, waaraan de mensen in de hangar op Schiphol alles bij elkaar enkele honderden uren waren blootgesteld, echter met dat van één enkele sigaret. Ook die kan immers in zeer geringe mate bijdragen aan het ontstaan van longkanker. Het gezondheidsrisico voor de eerder verhoorde W. van Os, die niet zelf met het afval werkte maar jarenlang aan de andere kant van dezelfde hangar werkte, taxeerde Keverling Buisman op dat van enkele trekken aan een sigaret.

Hoewel het uranium in het vliegtuig dus geen ernstige gezondheidsrisico's met zich meebracht, werd uit het verhoor van Keverling Buisman wel duidelijk dat de overheid ook in deze kwestie ettelijke steken had laten vallen. Zo sprak hij er zijn verbazing over uit dat hangar 8 op Schiphol naderhand was gereinigd met onder meer bezems. ,,Bezemen is wel het allerlaatste wat je moet doen, als je de verspreiding van radioactief stof wilt voorkomen.''

Hoofdinspecteur voor de milieuhygiëne P.Verkerk van het ministerie van VROM kon dat niet onderschrijven. ,,Het is besproken tussen de arbeidsinspectie, de stralingsdeskundige van de KLM en de regionaal inspecteur. Ik laat het graag aan hun deskundigheid over'', aldus Verkerk, die vanmorgen als tweede getuige werd verhoord. De hoofdinspecteur keurde ook achteraf goed dat tijdens interdepartementaal overleg wel aan de orde was geweest of de minister moest worden ingelicht, maar dat men daarvoor geen reden zag. Toenmalig minister Alders (VROM) vernam pas een jaar na de ramp dat er uranium op de rampplek was verspreid.

Verkerk en Keverling Buisman verschilden ook van mening over de vraag of de hulpverleners op de rampplek hadden moeten worden ingelicht over het uranium, toen twee dagen na de ramp duidelijk was dat het in het toestel had gezeten. Volgens Keverling Buisman hadden de autoriteiten inderdaad die informatie moeten doorgeven. De hulverleners hadden dan de stukken uranium met handschoenen kunnen aanpakken in plaats van met hun blote handen. Ondanks de geringe gezondheidsrisico's verdient dat volgens hem altijd aanbeveling.

In hangar 8 werden vanaf 7 oktober 1992 wel direct zulke voorzorgsmaatregelen genomen. De hoofdinspecteur bleef ook voor de enquêtecommissie achter het besluit van zijn mensen staan om niets te zeggen het radioactieve materiaal. ,,Er is niets verzwegen, men vond het een verwaarloosbaar risico'', aldus de hoofdinspecteur. De regionale inspectie had wel contact met de KLM en de Rijksluchtvaartdienst (RLD) opgenomen om te trachten iets van het uranium terug te vinden. Volgens Verkerk was het idee om extra actie te ondernemen verworpen, omdat daar geen enkel effect van werd verwacht.

De stralingsdeskundige van het ECN toonde zich verrast dat een korte notitie over uranium, die hij in oktober 1993 op verzoek van de Stadsdeelraad Zuidoost haastig in één dag schreef, al spoedig te boek kwam te staan als een volwaardig onderzoek van het ECN. Zo citeerde de Raad van de Luchtvaart in haar rapport over de Bijlmerramp hieruit. Keverling Buisman zei hierover echter nooit te zijn geraadpleegd door de Raad en ook niet van het betreffende rapport op de hoogte te zijn geweest. Na oktober 1993 was hij door niemand over de zaak geraadpleegd.

Enige onduidelijkheid bleef er tijdens het verhoor bestaan over de hitte van de brand in de Bijlmer na het ongeluk. Keverling Buisman zei zelf geen deskundige op dit terrein te zijn. Wel wist hij dat het smeltpunt van uranium rond de 1100 graden ligt. Gewone branden bereiken volgens hem zelden zulke niveaus.

In verband met de gezondheidsrisico's van uraniumstof voor de menselijke gezondheid verwees Keverling Buisman naar een Amerikaans onderzoek. Daarbij waren dieren jaren achtereen aan een dosis uraniumstof in hun longen blootgesteld die duizenden malen groter was dan wat de mensen in de Bijlmer en op Schiphol hadden geïnhaleerd. Zelfs na vele jaren bleken deze dieren nog slechts een licht vergroot risico te lopen op longkanker en longfibrose, waarbij de longblaasjes dichtgaan en de longcapaciteit vermindert.