Trou moet blijcken

Ik ben dol op groente- en fruitgedichten. Alleen al de gedachte dat er poëzie kan bestaan waarin het woord prinsessenboontje voorkomt windt mij op. Er zijn momenten dat ik niet zou aarzelen de regels

Uitjes, sambal, peultjes, peen,

Bloemkool, erwtjes, biet, augurken

tot de meest fantastische regels uit de Nederlandse poëzie te rekenen, op de voet gevolgd door

Reine-claudes, mirabellen,

Brandewijn, kaneel, kandij

– ach, een ander houdt weer van voetbal- of liefdesgedichten. Ik zeg dit niet uit baldadigheid, hoewel ook wel een beetje. Onderschat de rol van groente en fruit in de symboliek van het avondland niet. Ik hoef er maar aan te herinneren dat de appel aan de basis stond van enige fatale ontwikkelingen. In de schilderkunst zien we compleet uit groente en fruit opgetrokken portretten, denk aan Arcimboldo. Later, in de negentiende eeuw, zouden de droleries végétales populair blijven: Grandville-achtige tekeningen waarop je asperges voor advocaat zag spelen, twee winterpenen zag minnekozen op een sofa, infanterie-flageolets zag aantreden voor een flageolet-majoor en de parlementsbanken gevuld zag met pompoenen. Preien en ananassen gingen, hun haar elk op eigen wijze overeind, met elkaar op de vuist. In een recente studie van G.J. Johannes, De lof der aalbessen, wordt het gelijknamige gedicht van H.A. Spandaw (1777-1855) opgevoerd als het meest typerende gedicht voor zijn tijd –

Wie uitheemse vruchten loven,

Wij, wij zingen Neerlands ooft!

– de groentekar en de fruitmand als poëtisch referentiekader. Behoort, ten slotte, in onze tijd het gedicht van Kopland met de regels

Maar jonge sla in september,

net geplant, slap nog,

in vochtige bedjes, nee

niet tot de toptien van de meest bekende gedichten? Nu dan. Koplands gedicht is voor honderd procent een groentegedicht.

In Van der Hoops Inmaken, een vers over de woede van het wecken in het Hollands huisgezin – toen de weckfles nog Keulse pot heette – komen we zowel de aalbessen als de slakroppen weer tegen. Ook Van der Hoop was al begaan met de slapheid –

Kies vooral de slapste niet!

– u merkt, Rutger Kopland dichtte in de beste traditie. Zijn Jonge sla bevat de kern van de Nederlandse poëzie.

Het mooist is de satirische toepassing van groente en fruit. Het kan komisch zijn om mensen met dieren te vergelijken, met olifanten of pissebedden bij voorbeeld, maar onweerstaanbaar komisch werkt het vergelijken van mensen met groente. De criticus als aspergesliert. Een politiek bloemkoolhoofd.

De plantaardige wereld bezit iets buitengewoon menselijks. Bladeren kunnen slap zijn, stelen kunnen knakken. Ik ween om bloemen in de knop gebroken... dichtte Kloos, wat een collega-dichter de sarcastische regel ontlokte: Kloos heeft geweend en was niet eens bloemist... Ik bedoel maar, vegetale geknaktheid kan een zee van emoties oproepen. Het verklaart het verschil met de dierenvergelijking nog niet.

Dat verschil ligt, dunkt me, in het feit dat we in het geval van dieren meer antropomorfiseren, dat wil zeggen de beesten allerlei menselijkheden toedichten, terwijl bij groente en fruit vooral meetelt dat het om objecten gaat. Appels en peren zijn weliswaar geen dode materie, maar toch gaan ze voor ons naar dingen toe – naar dingen buiten ons. We kunnen groente en fruit beter objectiveren. De satire kan dus meedogenlozer zijn.

Ik ben door mijn enthousiasme voor de aalbessenpoëzie een beetje afgedwaald. Bijgaand gedicht is helemaal geen satire – of het moest een satire op de inmaakwoede zijn maar eerder een encyclopedische opsomming. Een inmaakcursus op rijm. De natuur werd hier afgebroken en de onderdelen worden opnieuw bij elkaar gezet. Dingen zonder ziel bootsen een doelgerichte chaos na. Ook zoiets is altijd goed voor een schaterlach.