Taal kan pijn verzachten

De Woutertje Pieterse Prijs 1999, voor het `beste literaire jeugdboek', is toegekend aan Joke van Leeuwen. Van Leeuwen, wier boeken gaan over het ontdekken van de wereld, zou de prijs vanmiddag ontvangen voor haar Bezoekjaren.

Bezoekjaren, het boek waarvoor Joke van Leeuwen vandaag de Woutertje Pieterse Prijs 1999 ontvangt, is in zekere zin een buitenbeentje in haar oeuvre. Er staan geen tekeningen in, ze schreef het samen met, of op basis van wat haar verteld werd door Malika Blain, en het is niet zozeer de fantasie als wel de werkelijkheid die de hoofdrol speelt. De hoofdpersoon is het Marokkaanse meisje Zima, en haar verhaal gaat over haar kinderjaren en meer in het bijzonder over haar broer en daarmee over de politieke situatie in haar land in de jaren zeventig. Het bezoek uit de titel is het gevangenisbezoek dat geregeld aan de oudste broer wordt gebracht.

Dat klinkt ernstiger dan we van Joke van Leeuwen (1952) gewend zijn. In haar boeken waait meestal een vrolijke gekte over de bladzijden en tekeningen treden er tekstvervangend of -aanvullend in op om allerlei wonderlijke gedachtes uit te beelden. In haar zinnen denkt ze vrijwel altijd net iets verder door dan gebruikelijk, wat eigenaardige consequenties kan opleveren. Zo wordt er bijvoorbeeld geconstateerd dat aaien troostend werkt, en dat ook van lekkere hapjes iets troostends uitgaat. Misschien zou een aai met een lekker hapje wel dubbelop troosten, ,,Maar'', staat er, ,,zoiets wordt niet veel gedaan.'' Op de tekening zien we waarom niet: een hand aait aandachtig een voormalig lekker hapje over een kaal hoofd.

Toch is Van leeuwen zelden alleen maar grappig en associatief. Haar boeken gaan altijd over opgroeien, over iets ontdekken van de wereld en bij dat ontdekken hoort de ontdekking dat er ook heel onaangename en gruwelijke kanten aan het leven zijn. Die kanten worden verbeeld in zwarte tekeningen, waarop haar karakteristieke vriendelijke ronde hoofden ineens zo vriendelijk niet meer kijken, maar gewapend met veel tanden en onduidelijke enge dingen de hoofdpersoon en de lezer dreigend tegemoettreden. Soms blijft het bij fantasie, die griezeligheid, soms is het niet duidelijk waar fantasie en werkelijkheid in elkaar overlopen en soms, zoals in Bezoekjaren, zijn de martelingen echt, al worden ze meer gesuggereerd dan beschreven. Suggestie is erg genoeg. ,,Toen zei ze, bijna onverstaanbaar, wat ze in het ei kon zien. Dat hij ... dat hij ondersteboven ..dat ze hem... En heel hard.''

Het oeuvre van Van Leeuwen is uitbundig beprijsd. Voor Een huis met zeven kamers (1979) kreeg ze een Gouden Penseel en een Zilveren Griffel, voor Deesje (1985) een Gouden Griffel en een Zilveren Penseel, verder nog onder meer drie Zilveren Griffels en een Gouden Uil en twee jaar geleden ontving ze ook al de Woutertje Pieterse Prijs, voor Iep, het verhaal over een door een echtpaar gevonden wezentje dat meer vogeltje dan meisje was, maar toch ook wel meisje. Zo luchtig als dat verhaal was, en zo opgewekt, ondanks de teleurstelling van het kinderloze echtpaar als Viegeltje een onstuitbare drang blijkt te hebben om naar het zuiden te vliegen, zo verdrietig is Bezoekjaren. Het komt allemaal in zekere zin wel goed, dat wil zeggen: de twee broers die gevangen zijn genomen zijn aan het eind weer thuis, maar daarmee is alle ellende natuurlijk niet ongedaan gemaakt.

Toch is Bezoekjaren geen zwaar boek. Dat komt door Van Leeuwens taal en door de manier waarop ze de sfeer in het gezin oproept. Het is zo overduidelijk dat iedereen van elkaar houdt dat er ondanks de ellende toch warmte van dit boek uitgaat, en ook van het vele lamsvlees dat er gestoofd wordt, van de bordjes couscous en de gehakte tomaten, van het badhuis waar de `rulletjes' van de rug worden geschrobd, van de grote zachte dappere moeder met de `handige' borsten: ,,Ze waren zo groot dat er een heleboel onder verstopt kon worden.'' En na Bezoekjaren heeft Van Leeuwen alweer een nieuw verrukkelijk boek geschreven, Kukel. Het zal niet makkelijk zijn voor de prijzen om haar bij te houden.