Stralend en zelfbewust

Dusty Springfield, wier overlijden gisteren bekend werd gemaakt, heeft zich in de beste betekenis van het woord losgezongen van de tijd waarin ze haar platen maakte. Haar arrangementen gingen sinds de jaren zestig met alle muzikale modes mee, maar zelf bleef ze steeds wie ze was: een zangeres met aangeboren allure die zelfs het onnozelste liedje nog tot een trots statement kon maken. Met haar stem, die vrieskou en de intiemste warmte in zich verenigde, was ze ontegenzeggelijk de beste popzangeres van Engeland, en één van de beste ter wereld.

Ze was 59; half april zou ze 60 worden. Maar al een jaar of vijf geleden kreeg ze te horen dat ze borstkanker had. En al sinds een paar weken was duidelijk dat ze half maart waarschijnlijk niet meer naar het Waldorf Astoria-hotel in New York zou kunnen komen om te worden opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.

Vaak heeft Dusty Springfield verteld dat ze op haar zestiende, toen ze nog gewoon Mary O'Brien heette, radicaal besloot een ander te worden: niet langer het onooglijke meisje dat ze in de spiegel zag, maar een zelfbewuste vrouw die haar schuwheid verborg achter veel ogenzwart en onder een hoog opgekamde pruik. Ze sloot zich aan bij een meisjeszanggroep en werd een paar jaar later de zangeres van het door haar broer Tom opgerichte trio The Springfields, dat begin jaren zestig hits maakte met vriendelijke, folkachtige liedjes als het door Tom Springfield geschreven Island of dreams.

Haar solocarrière begon in 1964, nadat The Springfields waren ontbonden, met de hit I only want to be with you. Al meteen viel ze op door haar volwassen soul-geluid en haar zekere uitstraling; heel anders dan de prille verschijning van veel andere tienerzangeresjes uit die tijd die zich als puppet on a string door anderen lieten vertellen wat ze moesten zeggen en zingen. Zodoende kreeg Dusty Springfield het odium van een moeilijk handelbare diva. Maar ze bleef hits maken: I just don't know what to do with myself, You don't have to say you love me en, in 1968, haar opzwepende Son of a preacher man.

In de jaren zeventig raakten de solozangeressen die niet zelf hun repertoire schreven in de popmuziek uit de mode. Dusty Springfield woonde in die tijd in Amerika en maakte daar, behalve ten minste één prachtige langspeelplaat, vooral een ietwat verdwaalde indruk. Haar verhuizing leidde tot overmatig drank- en drugsgebruik, en een diepe neerslachtigheid, die haar carrière geen goed deed. Ook de bekentenis dat ze biseksueel was, schaadde haar populariteit. Optreden deed ze zelden meer, en vaak straalde ze een algehele weerzin tegen het muziekbedrijf uit. In diezelfde stemming vond ze in de jaren tachtig enige tijd onderdak bij een Amsterdamse vriendin.

Toen ze in 1987 door The Pet Shop Boys werd overgehaald om op What have I done to deserve this? mee te zingen, bleek haar stem nog niets te hebben verloren van de vroegere kracht. Dwars door de moderne mix van synthesizers, die de neiging hebben de zangstem weg te moffelen, klonk ze weer als vanouds: omfloerst, bijna hees en toch vastberaden, alsof er niets was gebeurd. Midden in die eervolle opleving trof haar de diagnose van borstkanker die ook door een slopende reeks chemokuren niet verdween. Terwijl ze haar zaken op orde bracht, verdween ze langzaam maar zeker uit de schijnwerpers. Dinsdag zou koningin Elisabeth haar op Buckingham Palace de OBE-orde opspelden. Zo ver is het niet meer gekomen. In plaats daarvan liet de vorstin gisteren per communiqué weten, dat het overlijdensbericht haar verdriet had gedaan. Dat gevoel deelt ze met velen, voor wie de dood van Dusty Springfield onmiddellijk aanleiding is haar platen te draaien, en haar fenomenale stem weer te horen – stralend en tegelijk tot het uiterste beheerst, als een vrouw die, op haar eigen voorwaarden, wilde zingen wat haar op het hart lag.

BBC2 zendt vanavond een Tribute to Dusty Springfield uit, 20.30u.