Stadhuis

Toen Lenin hier in april 1917 arriveerde waren de ijsschotsen al uit de haven verdwenen. Overal voeren kleine stomertjes, je struikelde er over de vaten en karren, en de straten van Södermalm, waar tegenwoordig de jonge professionals vechten om een woninkje, waren nog vol stank en armoede. Toch was – en is – Stockholm vooral een stad van bureaucraten die al eeuwenlang regeren over een immens boerenland. Na een trage start was rond de eeuwwisseling opeens overal industrie van de grond gekomen, het was voorbij met de honger, en er was meer werk dan mankracht. De macht van de arbeiders nam snel toe en onder de elite begon zelfs al iets van heimwee te ontstaan naar het oude boerenleven.

Het stadhuis, waaraan tijdens Lenins bezoek nog druk gebouwd werd, geeft in alle opzichten de gemengde stemming van die tijd weer: ramen vertellen de Zweedse geschiedenis, gewelven zijn beschilderd met trollen en andere mystieke boerenmotieven, binnenplaatsen doen denken aan Venetië, aan de renaissance, aan de eeuwige droom van het noorden over het lichte Italië.

De mentaliteit van Lenin vond hier weinig weerklank. De Zweedse socialisten gaven hem geld voor zijn verdere reis, plus wat extra om een net pak en een paar schoenen te kopen - hij ging immers, in zijn eigen woorden, `niet naar Rusland om een bazaar te openen'. Daarna schoven ze hem door als een hete aardappel. Hun lijn was duidelijk een andere: amper drie jaar later zouden ze de wereldrevolutie afzweren en de eerste democratisch-socialistische regering ter wereld vormen. Maar de macht kregen ze evenzogoed.