Peper vindt indringend overleg nodig

Ondanks de bezwaren van coalitiepartner VVD, maar mede geïnspireerd door de opkomstcijfers van gisteren wil minister Peper opnieuw verder nadenken over de toekomst van de provincies in het staatsbestel.

Provincies en gemeenten kunnen binnenkort een uitnodiging verwachten. Minister Peper (Binnenlandse Zaken) wil indringend praten over de wijze waarop de lage opkomst bij verkiezingen kan worden bestreden.

,,We moeten echt heel grondig met elkaar nagaan wat er mis is. En heilige huisjes moeten we daarbij niet ontzien'', zegt de minister de ochtend na de verkiezingen voor Provinciale Staten, waarbij minder kiezers dan ooit opkwamen.

Peper windt er in de werkkamer op zijn Haagse departement geen doekjes om. ,,De provincie heeft gisteren verloren.'' Hij had al een bang voorgevoel dat veel kiezers thuis zouden blijven, maar is desalniettemin ,,toch wel geschokt'' dat de opkomst uiteindelijk zo laag is uitgevallen. ,,Als je ook nog in aanmerking neemt dat je er in vergelijking met de vorige statenverkiezingen een paar procent van af moet trekken omdat de stembussen gisteren een uur langer open waren, dan is de lage opkomst wel om van te schrikken.''

Peper ziet de lage opkomst als ,,een extra impuls'' voor het aanpakken van bestuurlijke vernieuwing. In de aanloop naar de verkiezingen en na de uitslag van gisteravond passeerde al een reeks voorstellen de revue: variërend van bundeling van verkiezingen (Kok), via versterking van de provincie (De Hoop Scheffer) en modernisering van stemmethodes (Dijkstal) tot herinvoering van de stemplicht (Marijnissen). Gelet op de reacties van de fractieleiders van PvdA, VVD en D66 maakt bundeling van verkiezingen de meeste kans.

De analyse van Peper is dat het provinciale bestuur onvoldoende zichtbaar was. ,,Het was niet zo verschrikkelijk helder waar het bij deze Provinciale Staten-verkiezingen over ging. Als we dit niet willen, zullen we veel meer na moeten denken over de vraag hoe we verkiezingen ergens over kunnen laten gaan. Mijn houding is: versnel het proces van zichtbaar maken van het bestuur en breng daar weer spanning in: wie heeft de macht, wat zijn de keuzes en waar staan partijen voor.''

Nee, hij doet in dit stadium geen concrete voorstellen hoe de opkomst bij provinciale en gemeenteraadsverkiezingen kan worden verbeterd. Liever herhaalt hij ook niet zijn omstreden uitspraak van voor de verkiezingen dat de provincies bij een opkomst onder de vijftig procent ,,in de gevarenzone verkeren.'' Maar intussen is het Peper wel menens.

,,Je kunt denk ik moeilijk volhouden dat deze lage opkomst een voorbijgaand verschijnsel is. Ik zie het zo: de dekolonisatie van de burger betekent dat hij de politiek ziet als een markt. Op het moment dat die markt onzichtbaar is, moet je niet vreemd opkijken dat mensen zich niet op die markt melden.''

Peper wil in het overleg met provincies en gemeenten eerst een grondige analyse maken voordat er wordt gesproken over concrete oplossingen. ,,We zullen eerst met elkaar vast moeten stellen: `vinden we deze lage opkomst erg of vinden we dat niet erg'. En we zullen ook moeten vaststellen of de neergang structureel is. Pas daarna is de richting aan de orde en kunnen we zeggen: zo moet het dan. Welke rol de provincie moet spelen en welke taken de tussenlaag moet hebben, wil Peper op dit moment ook niet zeggen. Hij constateert wel dat in het regeerakkoord ,,een worsteling'' is te zien over de rol van de bestuurslagen ,,zonder dat er uitzicht is op nieuwe vormen''.

Peper:,,We spreken vaak deftig over het huis van Thorbecke, maar als Thorbecke nu zou rondlopen zou hij zelf door de bomen het bos niet meer zien.''

Zelf neemt minister Peper waar dat op het niveau van het middenbestuur in de praktijk nieuwe vormen groeien, zoals de alliantie van provincies in het noorden en in het zuiden. ,,Ik spreek tegenwoordig regelmatig met provinciebestuurders die die gezamenlijk als landsdelen hun belangen komen bepleiten. Aan de andere kant zie je ook nieuwe regio's ontstaan. Dat is in afwijking van de traditionele provincie die precies een historisch afgebakend gebied vertegenwoordigt.''

Verder constateert Peper dat in het verleden vaak ,,met veel Hollands pragmatisme'', maar volgens de minister niet altijd even doordacht, bestuurstaken van het rijk naar de provincie gingen. ,,De vraag was dan niet of ze daar thuis hoorden, de instelling was: je werkt van boven naar beneden. En als je van het rijk uit naar beneden gaat kom je eerst bij de provincies terecht.''

En hij neemt ook waar dat kiezers in stedelijke gebieden minder opkomen dan op het platteland, dat als het ware de provincie de bestuurslaag van het platteland lijkt te worden. ,,Je zag dat ook in het onderzoek naar de herkomst van Statenleden, de meeste provinciale bestuurders komen uit de provincie en niet uit de stad'', aldus de minister van Binnenlandse Zaken die tot voor kort zelf burgemeester van Rotterdam was.