Oases van ruimte en licht

De uitbreiding van het Van Gogh Museum in Amsterdam nadert zijn voltooiing. Het grootste deel van de creatie van de Japanse architect Kisho Kurokawa ligt onder de grond.

De vijver in de vorm van een halve ellips moet nog worden gevuld. De bodem is zorgvuldig met leisteen bedekt. Door de lichte helling zal de ongeveer zes centimeter diepe waterlaag altijd in beweging blijven. In deze verzonken reflecting pool gaan de glazen puien weerspiegelen van de ondergrondse omgangen en zalen van de uitbreiding van het Amsterdamse Van Gogh Museum. Meer dan zeventig procent van de nieuwe vleugel die gisteren voor het eerst werd getoond, ligt onder de grond.

Het gedeelte dat boven het Museumplein uitsteekt, heeft de andere helft van de doorgesneden ellips als plattegrond. Van buiten bekleed met grijsbruin glinsterend natuursteen manifesteert het paviljoen zich, op het in bouwchaos verkerende terrein, als een onverstoorbare iglo. De rechte wand die op de as van de ellips naar het oude museumgebouw staat gekeerd, is met titanium bekleed. Ook het bolle dak draagt dit kostbare materiaal dat met zonlicht zo'n schitterende relatie heeft. Het kunstig geconstrueerde dak is aan alle kanten opgetild waardoor ruime kieren ontstaan die natuurlijk licht in de grote bovenzaal verspreiden.

Directeur John Leighton is trots op de creatie van de Japanse architect Kisho Kurokawa. Hij schetst hoe de vleugel mogelijk werd door een donatie van ruim dertig miljoen gulden van de Yasuda Fire & Marine Insurance Company. Een onderneming in Tokio met een Van Gogh-fanaat aan het hoofd. Kurokawa (1934) werd uitverkoren omdat hij een van de meest vooraanstaande architecten ter wereld is en grote ervaring heeft in de kunst van het museumbouwen. Ook was hij geen vreemde van de sponsorende Japanse magnaat.

Zoals het sculpturale gebouw nu nog in geïsoleerde positie op het plein ligt en innerlijk van kunst en enig meubilair is verstoken, is het een belevenis om er doorheen te dwalen. Met de glooiende, lichte wanden zijn de grote zalen op de drie boven elkaar gelegen bouwlagen oases van ruimte en helderheid. In het prentenkabinet – een gesloten aluminium kubus die de titaniumgevel boven de vijver doorsteekt – komt in het noodzakelijk schemerlicht de wereld tot stilstand. De matte glans van de terugwijkende, aluminium plinten illustreert de perfecte detaillering en afwerking die de architectuur van Kurokawa zo bewonderenswaardig maakt.

Wonderlijk is ook dat elke glaswand en elk raam beelden biedt die nooit eerder waren te zien. De torens van het Rijksmuseum, onder de top afgesneden door de volmaakt gebogen, natuurstenen balustrade rond de verdiepte vijver. Het Sandbergplein tussen het Stedelijk Museum en Van Gogh Museum in een hoek van bovenaf zodat je de kruinen van het statige bomenlaantje lijkt te kunnen aanraken. En aan de andere kant, het begeerlijke huis van het voormalige Museum Overholland als een in baksteen nagebouwde maquette op ware grootte.

Waar de bezoeker op de verdieping van het nieuwe paviljoen ook met zijn neus bovenop staat, is het oorspronkelijke gebouw van het Van Gogh Museum. Dat is nog geen pretje. Het aanblik van het oude, slecht geproportioneerde trappenhuis met de gebladderde kozijnen en verdwaalde, vaalgeworden jaloezieën – o jaren zeventig – is schokkend. De conditie van de met grijze verf dichtgesmeerde achtergevel met de groenkoperen letters is erbarmelijk. Maar ook hierin is verandering gaande.

Gerrit Rietveld maakte de eerste globale schetsontwerpen voor het Rijksmuseum Vincent van Gogh in 1963. Hij overleed in 1964 en architect J. van Tricht voltooide het museumgebouw naar eigen, ten opzichte van Rietveld gewijzigd ontwerp. Het museum werd in 1973 geopend met een verwachting van zestigduizend bezoekers per jaar. Bijna een kwart eeuw later was dit aantal opgelopen tot één miljoen. Reden om gelijktijdig met de bouw van de nieuwe vleugel het bestaande museum ingrijpend te renoveren. Opdracht hiervoor kreeg Martien van Goor, architect bij Greiner Van Goor Architecten in Amsterdam. Op de hoek van het Sandbergplein en het Museumplein bouwde Van Goor een nieuwe, transparante kubus voor de administratieve afdelingen.

Het entreegebied, de hal, de museumwinkel en de foyer worden tot een ruimtelijk geheel omgesmeed. Ook ontwierp Van Goor, met lift en roltrappen, het grotendeels ondergrondse knooppunt tussen het Rietveld-gebouw voor de vaste collectie en de Kurokawa-vleugel voor de wisselende tentoonstellingen. Het is te hopen dat na al deze inspanningen – zij kosten ook weer ruim dertig miljoen gulden – nog iets overschiet voor het opknappen van het arme oude trappenhuis en voor het weer in florissante staat brengen van de grijs, grauw en moe geworden achtergevel. Laat het voorbeeldige paviljoen van Kurokawa duidelijk maken dat perfectionisme loont.

Op 24 juni 1999 opent het Van Gogh Museum weer voor het publiek met een grote tentoonstelling gewijd aan Theo van Gogh (1857-1891), Vincents jongere broer. Met ruim 200 werken van 19de-eeuwse kunstenaars zal de belangrijke rol van Theo als kunsthandelaar, verzamelaar en mecenas worden geïllustreerd. Daarnaast komt er een presentatie van Kisho Kurokawa's werk.