`Nederlands ijshockey draait zichzelf de nek om'

Amsterdam en Nijmegen begonnen gisteren aan de finalereeks om de ijshockeytitel. Langs de schaatsbaan maakten bestuurders zich zorgen over de toekomst van de sport.

De ene crisis is amper bezworen of de volgende dient zich alweer aan. Werd de wederopstanding van ijshockeybolwerk Amsterdam nog niet zo lang geleden opgevat als een teken van hoop, tegen het einde van de competitie doemen de noodscenario's op. ,,We moeten oppassen dat we niet weer in dezelfde val trappen'', luidde gisteren de waarschuwing van John Ponsioen, vice-voorzitter van de Nederlandse IJshockey Bond (NIJB).

Voor sombere bespiegelingen was gisteren alle reden, na afloop van het eerste finaleduel uit de best-of-seven-reeks tussen Nijmegen en Amsterdam (6-1). Want hoewel de strijd om de landstitel voor het eerst sinds vier jaar twee andere ploegen op het ijs brengt dan Tilburg en Nijmegen, heeft de sportieve opmars van Amsterdam een keerzijde. Vanuit het niets stoomde de club op naar de top van de eredivisie, waarmee eens temeer het bewijs werd geleverd dat in het ijshockey de successen met geld te koop zijn.

Na een afwezigheid van acht jaar keerde Amsterdam afgelopen zomer terug op het hoogste niveau. Verantwoordelijk daarvoor was zakenman en ijshockeyfanaat Rolf Friedländer. Onder zijn bezielende leiding kocht de club een complete selectie bijeen, inclusief zeven buitenlanders en drie gezichtsbepalende spelers van Nederlandse afkomst. ,,Zes maanden geleden hadden we niets, nu staan we in de finale'', grijnsde Friedländer gisteren. Met een knipoog: ,,Kwestie van goed inkopen.''

Het fundament is echter wankel volgens NIJB-bestuurder Ponsioen. Amsterdam leeft bij de gratie van geldschieter Friedländer. In die zin lijkt de club verdacht veel op ,,de eenmanszaakjes die het ijshockey een paar jaar geleden op de rand van de afgrond brachten''. De geschiedenis dreigt zich te herhalen, vreest Ponsioen. ,,Als Rolf er over twee jaar genoeg van heeft, ligt Amsterdam weer op z'n gat.''

Zover zal het niet komen, bezweert onroerendgoedhandelaar Friedländer. Mits de NIJB bereid is ,,zich aan te passen aan de wetten van de moderne tijd''. Zijn aanbeveling: ,,Doorgaan op de ingeslagen weg. Commercieel denken en als de bliksem meer buitenlanders aantrekken. Zo niet, dan kunnen we het ijshockey net zo goed meteen opdoeken.''

Maar al te graag neemt Friedländer een voorbeeld aan Duitsland, het land met de sterkste clubcompetitie van Europa. ,,Als een of ander klein rotdorp daar al in staat is om een club met een begroting van één miljoen op de been te brengen, waarom kan dat dan niet in een wereldstad als Amsterdam'', vraagt Friedländer zich af. En wat de argwaan van de NIJB betreft: ,,Die pitten al veertien jaar en hebben zo langzamerhand weinig recht van spreken meer.''

Friedländer weet zich gesteund door Nijmegen en Heerenveen. Een andere topclub, Tilburg, sputtert evenwel tegen. In tegenstelling tot zijn collega-voorzitters pleitte Tilburg-voorman Jan de Greef de laatste weken voor het terugdringen van het aantal buitenlanders, van zeven naar drie. Met het oog op de toekomst van het Nederlandse ijshockey in het algemeen en de eigen jeugd in het bijzonder, zo luidde de redenering.

Het pleidooi van De Greef vindt een gewillig oor bij de bond. ,,Acht of tien buitenlanders is te dol voor woorden'', zegt vice-voorzitter Ponsioen. ,,Dat zou betekenen dat de Nederlandse jeugd helemaal niet meer aan de bak komt. In dat geval draaien we onszelf op termijn de nek om.''

Volgens Friedländer is de bond bezig het paard achter de wagen te spannen. Bij gebrek aan voldoende eredivisiewaardige spelers is hij naar eigen zeggen gedwongen zijn blik over de grenzen te richten. Bovendien: ,,Zonder een aansprekend eerste team heb je niets aan de jeugd. Die jonge gassies moeten een voorbeeld hebben anders leren ze het nooit.''

Opportunisme beheerst meer dan ooit het Nederlandse ijshockey. Clubbelangen wegen zwaarder dan de gemeenschappelijke belangen, beseft Ponsioen. Schertsend: ,,In de zomer zijn de clubs het eens met de bond. Maar bij het begin van de competitie of zodra successen aan de horizon opdoemen, veranderen de meningen plotseling.''

Het dilemma van Ponsioen: ,,Waarom begrijpen de clubs niet dat ze elkaar nodig hebben? Iedereen is gebaat bij een gezonde competitie. Dat iedereen kampioen wil worden, daar kan ik mee leven. Maar mijn vraag is: kampioen waarvan? Toch niet van de armoede?''

Daar lijkt het wel op. Volgend seizoen bestaat de eredivisie vermoedelijk nog slechts uit vijf clubs nu Den Haag een terugkeer naar de eerste divisie overweegt. De club uit de residentie beschikt over ongeveer de helft van het budget (300.000 gulden) waar topclubs als Amsterdam en Nijmegen mee werken, en is daarom op voorhand veroordeeld tot een bijrol. ,,Den Haag gebruikt het verstand in plaats van het onderbuikgevoel'', zegt Ponsioen.

Hoop put Ponsioen verder uit de gereserveerde houding van Geleen. Uit vrees opnieuw het slachtoffer te worden van ongeremde sportieve ambities besloot het bestuur van de Limburgse club vorige maand af te zien van een rentree in de eredivisie. Ponsioen: ,,Geen avonturen aangaan die je niet waar kan maken, heel verstandig.''