Klokkenluiders

`Klokkenluiders' moeten de staat in bescherming nemen tegen het kabinet bij zaken die het politieke belang van een zittend kabinet overstijgen. Dat stelt Harry van Wijnen in zijn artikel `De psychologie van het ambtelijke verzet' (NRC Handelsblad, 2 maart).

De RIVM-medewerker De Kwaadsteniet wordt in dat artikel als een kenmerkend voorbeeld van zo'n `klokkenluider' ten tonele gevoerd. Hij zou weten waarover hij praat en geen persoonlijke overwegingen in zijn stellingname betrekken, zo wordt in het artikel gesteld. Voorbijgegaan wordt echter aan de vraag of de `klokkenluider' inderdaad wel weet waarover hij praat, of hij zelf wel de waarheid spreekt en of er geen persoonlijke overwegingen in het spel zijn. Kortom: wie checkt de klokkenluider?

In het geval van het RIVM is er een bij wet ingestelde Commissie van Toezicht samengesteld uit onafhankelijke wetenschappers. Samengevat stelt deze Commissie, na het uitvoeren van een onderzoek, dat het RIVM zijn werk met de nodige zorgvuldigheid uitvoert; onzekerheden worden toereikend gepresenteerd en er is geen aanwijzing dat er van beïnvloeding door beleidsmatige druk sprake is.

Kan de `klokkenluider' enige wetenschappelijke of anderszins verantwoorde toetsing van zijn beweringen overleggen? Zouden ernstige beschuldigingen als leugen, bedrog en manipulatie niet minstens een redelijke vorm van onderbouwing vergen? En wat te denken van de actuele situatie waarbij die `onderbouwing' eenvoudig weerlegbaar is, alleen al omdat er een pijnlijk gebrek aan kennis van zaken uit blijkt.

Vooralsnog is de klokkenluider bij voorbaat heilig en onschendbaar! Zijn beschuldigde collegiale omgeving is bij voorbaat vogelvrij. Heeft die omgeving, zoals tot op heden in een rechtstaat gebruikelijk, misschien nog het recht in zo'n geval een houdbare onderbouwing te eisen?

Voorlopig lijkt dat er niet op; de wezenlijke grens tussen vrijheid van meningsuiting en ongefundeerde, en dus onverantwoorde kwaadsprekerij lijkt niet meer te bestaan.