Glashelder en droogkomisch

Karel van het Reve is overleden. Een voorbeeld, een schrijver van grote klasse, een bescheiden maar o zo trefzeker en dodelijk ontmythologiseerder. Je zou haast zeggen: hij had altijd gelijk, maar liet zich er, anders dan W.F. Hermans, niet op voorstaan.

Zijn laatste, negentiende boek verscheen in 1995 en heette Luisteraars! Het was een bundeling gesproken columns voor de wereldomroep. In zijn laatste toespraakje tot de radioluisteraars in den vreemde - op zijn zeventigste vond hij het welletjes geworden - spreekt hij geruststellende woorden. Er dreigt in Nederland geen hongersnood, burgeroorlog of revolutie. ,,Koningin Beatrix regeert ons met milde, doch vaste hand. Omdat ik zo lang voor de Wereldomroep gewerkt heb, heeft zij mij een paar dagen geleden benoemd tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw. Dank u. De ridderorde zit in een doosje, met een papiertje erbij waarop gedrukt staat dat ik deze versierselen aan de Nederlandse staat moet teruggeven als ik dood ben. Ik hoop maar dat ik dat niet vergeet. Vaarwel. Het ga u goed, waar ook ter wereld.''

Je hoort het hem zeggen, met zijn wat slepende nasale stemgeluid, een kort droog lachje erachteraan. Het is Van het Reve ten voeten uit: uiterst preciese formulering, oog voor bizar detail, droogkomische humor.

Zijn Het geloof der kameraden (1969), waarin hij afrekent met het marxisme-leninisme was een verademing. Zo vergreep hij zich ook met groot gemak aan Freud, de Weense kwakzalver, Dostojevski, de evolutieleer en het Opperwezen. Het werd zijn handelsmerk: gezond verstand loslaten op warrigheid, mythologie en ideologische verdwazing. In 1978 maakte hij, zelf professor in de slavistiek in Leiden, gehakt van de literatuurwetenschap in zijn geruchtmakende Huizingalezing, getiteld Het raadsel der onleesbaarheid. Hij deed daarin uit de doeken waarom het hem fysiek onmogelijk was de teksten tot zich te nemen die door de literatuurwetenschap werden voortgebracht. ,,Heeft men werkelijk iets te zeggen, heeft men werkelijk een ontdekking gedaan, dan treedt die ontdekking markanter naar voren naarmate men hem eenvoudiger, korter, begrijpelijker, simpeler formuleert. Heeft men echter niets te zeggen, heeft men eigenlijk niets ontdekt, doet men eigenlijk niets meer dan open deuren intrappen, dan werkt eenvoud juist schadelijk: in al zijn armoede staat de auteur dan voor ons.''

In zijn Geschiedenis van de Russische literatuur (1985) leefde hij zijn eigen passie voor literatuur en literatuurgeschiedenis uit. Het woord passie zou hij zelf nooit in de mond nemen. Veeleer omschreef hij die onderkoeld als `er aardigheid in hebben'. Naar het boek werd door vriend en vijand reikhalzend uitgekeken. De recensies waren niet onverdeeld gunstig. Sommige waren lyrisch, andere verweten hem niet veel verder gekomen te zijn dan anekdotiek over Grote Schrijvers. Toen ik in 1995 een gesprek met hem had voor deze krant zei Van het Reve daarover: ,,Ja, dat is het nadeel van de leesbaarheid. Mensen redeneren als volgt: je kunt het begrijpen, dan kan het nooit wat wezen.''

Karel van het Reve heeft zichzelf nooit de Geleerde Broer gevoeld waar zijn broer Gerard hem zijn hele leven mee getreiterd heeft. ,,Kees Fens is geleerd, die kun je op verschillende plaatsen aanboren en dan komt er van alles uit. Als je mij aanboort, kun je toevallig op een plek komen waar ik niks van weet. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik de hele wereldliteratuur nog moet lezen. Ik weet dat dat heel verkeerd is'', zei hij in datzelfde gesprek.

Maar dat is maar bescheidenheid. Van het Reve kon glasheldere dingen zeggen over literatuur. Over Dostojevski: ,,Die heeft de keukenmeidenroman tot literatuur verheven''. Over Tsjechovs toneelhelden: ,,Niemand is zo aardig voor zijn helden als Tsjechov. Niemand ontneemt ze zo meedogenloos alle mogelijkheden tot geluk.'' Over Tjoettsjevs gedichten: ,,Bij Tjoettsjev maakt 's nachts de zichtbare wereld plaats voor de hoorbare, en die hoorbare is de echte, en die echte, eigenlijke wereld is de chaos, die ons tegelijk aantrekt en met ontzetting vervult.''

Er is nog iets waarom ik Van het Reve bewonder. In 1968 was hij correspondent van Het Parool in Moskou. Het was het Tijdperk van de Stagnatie, toen Brezjnev de deksel op de put hield. Dat lukte niet helemaal en zo werd het ook het Tijdperk der Dissidenten. Terwijl het in Amsterdam en de rest van de wereld nog volop mode was om de Amerikanen te bashen en de Russen te sparen, had hij geen moeite met de vraag aan welke kant een fatsoenlijk mens hoort te staan. Hij bezorgde Het Parool een wereldprimeur door Sacharovs Gedachten over vooruitgang, vreedzame coëxistentie en intellectuele vrijheid de Sovjet-Unie uit te smokkelen. Zelfs de New York Times durfde publicatie niet aan uit angst voor een provocatie. Toen ik zelf correspondent in Moskou was, en de tijden lang zo dreigend niet meer waren, heb ik me vaak afgevraagd of ik dat gedurfd zou hebben. Ik ben bang van niet.

Een laatste fragment uit het vraaggesprek. Wat vindt u Gerards mooiste boek? Na enig nadenken: ,,Dat moet wel De Avonden zijn.'' Dat gaat over jullie. ,,Maar daarom kan het nog wel mooi zijn.'' Waarom vindt u het mooi? Hij is even stil. ,,Dat weet ik niet. Dat kun je eigenlijk niet zeggen.''