Een talent

Gisteravond zag ik in De Kleine Komedie in Amsterdam eindelijk weer eens een nieuwe theaterkomiek van grote allure. Een talent, om het eens eufemistisch uit te drukken. Hij bezorgde mij – en zo te horen de meeste bezoekers – een van de leukste avonden uit mijn lange loopbaan als theaterbezoeker. Ik had hem wel vaker gehoord en gezien (en zelfs gelezen), maar nooit eerder op de bühne. Daar bewoog hij zich twee onafgebroken uren lang met de flair en natuurlijkheid van een artiest die nooit iets anders had gedaan.

Een knappe prestatie voor iemand die pas op 57-jarige leeftijd zijn eerste voorstellingen in Amsterdam geeft, die als artiest altijd alleen maar in televisietermen heeft gewerkt en gedacht en die – dàt vooral – in de eerste plaats lid was van een duo.

Dames en heren, u heeft het al begrepen, hier komt hij, nu echt the one and only, mag ik uw aandacht voor: Kees van Kooten. We moeten hem sinds kort missen als televisiekomiek, maar we hebben er een virtuoze theateract voor teruggekregen.

Hij is er heel terughoudend mee begonnen. Er drong iets tot ons door over voorleesavonden in de provincie, en we dachten daarbij aan het theaterwerk van Campert-Mulder, Giphart-Zwagerman, Spanjer-De Gooijer. Dat was leuk, maar het bleven schrijvers die uit hun werk voorlazen. Van Kooten leest alleen in de pauze voor. Dan mogen we van hem naar de wc, terwijl hij de achterblijvers in de zaal onderhoudt met zijn teksten, omdat hijzelf `zo'n enorme hekel aan theaterpauzes heeft'. (Er maakten vier, vijf mensen gebruik van de geboden vrijheid, zij waren deze avond de meest bekeken toiletbezoekers van Nederland.)

Al zijn overige teksten – die je soms wel, soms niet herkent uit zijn boeken – draagt Van Kooten uit zijn hoofd voor. Een heidense klus waar hij lang aan geschaafd moet hebben, want hij schreef veel lange, bijna Reviaanse zinnen. Het zijn vaak schitterende, hilarische teksten, maar ze moeten met een zekere terloopsheid gebracht worden – anders wordt het te lollig. En dat bleek nu juist de klasse van Van Kooten als theaterartiest: de achteloosheid en de onnadrukkelijkheid van zijn performance. Er was niets te bekennen van die opgepompte, geforceerde leukigheid van veel Nederlands cabaret.

Zelfs het improviseren ging hem goed af. Na een half uurtje begon het gisteren te onweren boven De Kleine Komedie. Van Kooten was beland bij een zin over een afspraak in zijn jeugd met zijn ouders `om protestants te worden'. Een paar tellen later klonk een luide donderslag boven het theater. Van Kooten keek zijn geluidstechnicus aan en zei: ,,Iets te laat.''