Hulp nog steeds te gespreid

Minister Herfkens heeft een deel van haar belofte, de ontwikkelingssamenwerking te `ontsnipperen', ingelost door 19 zogeheten concentratielanden te kiezen. Uitvoering van dit beleid zal echter veel voeten in de aarde hebben. Zo is naast het beperken van de hulp tot een kleiner aantal landen, concentratie op enkele hoofdthema's nodig als de hulp echt zoden aan de dijk wil zetten.

De keus voor 19 landen lijkt een ferme stap. In werkelijkheid wil Nederland in meer dan 50 landen actief blijven. Hierdoor is de kans groot dat de hulp toch weer teveel wordt gespreid. De 19 landen voldoen wèl aan het armoedecriterium, maar niet alle aan de vereisten van goed bestuur en beleid.

Omdat goed bestuur en beleid snel achteruit kunnen gaan, moet steeds opnieuw beoordeeld worden welke landen aan de criteria voldoen. Ook zouden andere landen, die nu niet voldoen, zich door beter bestuur alsnog kunnen kwalificeren. Aan de landen die wel voldoen, zal Nederland niet simpelweg geld kunnen overmaken. De minister heeft het over `blanco cheques', maar Nederland zal pas een bedrag op zijn cheques kunnen invullen nadat het bevredigende antwoorden op relevante vragen heeft ontvangen. Zo kan Herfkens zich afvragen of het verantwoord is dat India volgend jaar zijn defensie-uitgaven met 11 procent wil verhogen tot 11 miljard dollar. Ook rijst de vraag of India en Pakistan hun beloften wel nakomen om een kernwapenwedloop te vermijden. Het hoofddoel van ontwikkelingshulp blijft tenslotte armoedebestrijding.

De minister wil de hulp in de vorm van langlopende programma's gieten, in plaats van in allerlei losse, tijdelijke projecten. De keuze voor programma's die zich op basisbehoeften richten, vloeit voort uit de nadruk op armoedebestrijding: voedsel, drinkwater, basisgezondheidszorg, lager onderwijs, etcetera. Rampenpreventie en -bestrijding moeten daaraan worden toegevoegd.

De humanitaire noodhulp wordt in het vervolg niet tot 19 landen beperkt, maar aan alle behoeftige landen verschaft. Dat is een loffelijk streven. Maar veel ontwikkelingslanden worden keer op keer door dezelfde rampen getroffen. Daarom dreigt noodhulp ook steeds groter te worden dan structurele ontwikkelingshulp.

Vaak gaat het om mengsels van natuurrampen, bestuursrampen, conflictrampen en overbevolking. Aan het begin van de 21ste eeuw zal ongeveer de helft van de bevolking van arme landen in zeer rampgevoelige megasteden wonen. Meestal wordt de omvang van een ramp vermenigvuldigd door late, chaotische hulpverlening en door de bestuurlijke chaos die erop volgt. In veel ontwikkelingslanden zijn de rampenbestrijdingsorganisaties absoluut niet op hun taak toegesneden. Als daarin wordt geïnvesteerd kan veel toekomstig leed beperkt worden.

Om tot optimale inzet van de ontwikkelingsbegroting te komen, zijn ook nadere afspraken nodig met de particuliere medefinancieringsorganisaties (MFO's). Welk hulpbeleid willen zij voeren in landen waar slecht bestuur heerst? De MFO's zijn zeer belangrijk, omdat zij soms bevolkingsgroepen kunnen bereiken die worden onderdrukt. Maar ook die hulp moet zo doelmatig mogelijk op de doeleinden van het ontwikkelingsbeleid zijn gericht.

Prof.dr.ir. J.J.C. Voorhoeve is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de VVD-fractie.