Euro-enthousiasme Blair is schijn

De aankondiging van de Britse premier Tony Blair dat zijn land zal toetreden tot de eurozone heeft weinig te maken met een nieuw Brits enthousiasme voor Europa, vindt Jonathan Eyal. De recente omarming van de euro moet alleen voorkomen dat het eurodebat een rol speelt bij de volgende parlementsverkiezingen.

De Britse premier Tony Blair heeft de reputatie verworven van een begenadigd tacticus, een man die weet hoe hij de media naar zijn hand moet zetten, een leider die veel meer belang stelt in de presentatie dan in de inhoud van zijn beleid. Maar vorige week toonde hij zich even een gedreven politicus toen hij aankondigde dat Groot-Brittannië zich wil aansluiten bij de eurozone, en dat zijn regering zich al aan het voorbereiden is op de overgang. Blair hoefde dit niet te doen. Sinds hij in 1997 aan de macht kwam, heeft hij steeds gedaan alsof de euro een technische aangelegenheid was waarover de minister van Financiën zich maar moest buigen. Ook hoefde hij het niet op dit moment te doen. Want ook al besluit de regering om op de euro over te gaan, er is een referendum over de kwestie beloofd dat waarschijnlijk niet vóór het jaar 2001 wordt gehouden.

Toch riskeerde Blair de politieke opschudding die onvermijdelijk volgde. De pers zette het in meerderheid op een schreeuwen, met de bekende argumenten. Het Britse pond, de vermaarde bron van nationale trots die in de jaren 1970 moest worden gesteund door het Internationaal Monetair Fonds, was in gevaar. En jawel, Groot-Brittannië zou zijn zwaarbevochten onafhankelijkheid verliezen waarvoor in tal van oorlogen miljoenen mensen hun leven hebben gegeven. Is het debat over de plaats van de Britten in Europa nu dan eindelijk op de rol gezet? Het antwoord is, zoals altijd, evenzeer ja als nee.

Blair zei vorige week niets wat zijn regering al niet eerder heeft gezegd. Groot-Brittannië zal op de euro overgaan, maar pas wanneer er is voldaan aan vijf – reeds eerder bekendgemaakte – voorwaarden. Die zijn zo geformuleerd dat de regering er alle kanten mee uit kan. En geen van de vragen die er in het parlement over zijn gesteld heeft nadere opheldering gebracht.

Ontdaan van de positieve maar tamelijk betekenisloze bewoordingen komt het belangrijkste verschil tussen het standpunt van de Britse regering en dat van de Conservatieve oppositie hierop neer: de Conservatieven willen de komende tien jaar niet tot de eurozone toetreden en de regering heeft alleen beloofd dat de komende jaren nog niet te doen. Dus waarover maakte men zich nu zo druk? Helaas spelen tactische overwegingen ook hier weer een rol.

Blair weet heel goed dat invoering van de euro de meest riskante beslissing is die hij ooit zal moeten nemen. Eén verkeerde zet en het kan met hem gedaan zijn. Labour heeft deze eeuw al twee keer eerder (in 1945 en 1966) een grote verkiezingsoverwinning geboekt, en beide keren werd de partij bij de volgende verkiezingen weggestemd. Blair beoogt vooral dit patroon te doorbreken en te zorgen dat de Labourregering nog jaren na de eeuwwisseling kan blijven zitten. Wat hij daarbij moet voorkomen is dat het eurodebat een rol gaat spelen bij parlementsverkiezingen. Door de kwestie al in een vroeg stadium te berde te brengen kan Blair beduidend voordeel boeken. Zonder een standpunt over de euro kan hij niet aan een verkiezingscampagne beginnen. Door nú gewag te maken van de voorbereidingen op de invoer van de euro, hoopt hij de kwestie uit de weg te kunnen ruimen voordat de verkiezingscampagne begint. Blair weet eveneens dat hij de media in meerderheid tegen zich heeft. Hij hoopt dat wanneer de media hem nú aanvallen, zij straks, wanneer de campagne voor de euro serieus begint, door hun argumenten heen zijn.

Tot slot mag Blair het genoegen smaken dat hij de verdeeldheid bij zijn Conservatieve opponenten heeft vergroot. De afgelopen week heeft hij geheim overleg gevoerd met hooggeplaatste politici uit de oppositie, en zo oude wonden in hun gelederen opengereten die nog dateren uit de dagen van Thatcher.

Nu kan men beweren dat de tactiek van Blair gerechtvaardigd is als ze tot het gewenste resultaat leidt. Maar dat is slechts één kant van de zaak. In velerlei opzicht is Blair namelijk een politicus van de oude stempel, die er weinig voor voelt om in naam van Europa ook maar één potentiële stem te riskeren. Een eventuele zege in het eurodebat is waarschijnlijk slechts een overwinning op detailpunten, en zal niet de diepgewortelde Britse twijfels wegnemen over alles wat met Europa te maken heeft.

De Britse discussie over `Europa' is niet zozeer een debat over de collectieve identiteit over het economisch reilen en zeilen van het continent; het is een moeizaam, niet altijd even oprecht zelfonderzoek van Groot-Brittannië als zodanig. Dit debat is gevoerd door politici die opvallend weinig van de kwestie begrepen en ook weinig invloed op de uitslag hadden. De gehele politieke klasse bleef er in wezen van overtuigd dat de wereld nu eenmaal wordt beheerst door grote mogendheden en dat Groot-Brittannië daartoe diende te blijven behoren, terwijl de rest van het continent de macht toch nooit echt in handen zou geven van hun supranationale instellingen. Deze taxatie bleek telkens opnieuw onjuist, en telkens moest Groot-Brittannië zich schikken in het onvermijdelijke, vaak op slechtere voorwaarden dan het aanvankelijk had kunnen bedingen.

Blair behoort tot een nieuwe generatie politici die Europa in een ander, meer positief licht zien. Maar iets van de oude instincten is nog in hem aanwezig. De Britse premier voelt meer voor samenwerking met de grotere mogendheden; wil zijn land een rol in Europa spelen, dan kan dat het best samen met de Duitsers en de Fransen, en niet met de kleinere landen. Net als zijn voorgangers meent hij dat hij naar willekeur onderdelen van het Europese project kan aanvaarden of afwijzen: begrotingshervorming moet er komen, maar het financiële voordeel dat Groot-Brittannië wist te verkrijgen moet onaangetast blijven. En precies zoals al zijn voorgangers houdt Blair graag lange seminars over de `Derde Weg' in de politiek, ontleend aan Amerikaanse ideeën, die hem om een of andere reden meer relevant toeschijnen dan de `achterhaalde' socialistische denkbeelden van het vasteland. De presentatie is veranderd; de onderliggende instincten zijn dat veelal niet.

De gevolgen zijn veelal dezelfde: politici in de tang van een verzameling waandenkbeelden die ze verfoeien maar niet schijnen te kunnen verlaten. Een bij de Britten wijdverbreide opvatting over de EU is die van een instantie die een waterval van onzinnige regels afkondigt. Maar in werkelijkheid wordt de helft van de Europese regelgeving geïnstigeerd door de Britten en de Duitsers, omdat richtlijnen van de Commissie nog altijd in beleid worden omgezet door nationale regeringen. Zeker, als stichter van het grootste wereldrijk aller tijden zal Groot-Brittannië altijd bijzondere betrekkingen onderhouden met andere Engelssprekende landen. Maar zelfs in de hoogtijdagen van dat wereldrijk was de voornaamste handelspartner van de Britten het Europese vasteland, dat thans meer dan de helft van de Britse export afneemt. De gedachte dat Groot-Brittannië zich moet concentreren op de wereldhandel ten nadele van zijn banden met Europa is dus uit de lucht gegrepen.

Tegenstanders van de euro betogen dat het portret van de Britse koningin van de bankbiljetten zal verdwijnen, hetgeen een ernstig nationaal affront zou zijn. Niet één Britse politicus is bereid de goegemeente te vertellen dat het land ook nu al vijf verschillende series bankbiljetten kent (voor Engeland, Schotland, Wales, Noort-Ierland en de Kanaaleilanden) en dat op slechts twee daarvan het portret van de koningin voorkomt. Dit had men in alle kalmte en openheid kunnen stellen. Maar Britse politici vroegen in Europa per se het recht om op in Groot-Brittannië gedrukte eurobiljetten het portret van de soeverein af te beelden. Ieder lid van de Unie bevordert nationale belangen onder het mom van Europese doelstellingen. Dat is niets nieuws. Zoals Bismarck al opmerkte, wordt `Europa' vaak genoemd door politici die iets willen bereiken waarom ze uit eigen naam niet durven vragen. In dat opzicht verschilt het Britse beleid dus niet dan dat van de andere Europese partners. En in tal van kwesties heeft het Britse standpunt zelfs tot een hechtere Europese identiteit geleid. Maar de Britse stem zal het altijd aan overtuiging ontbreken. Voor de andere landen in Europa zijn de onvolkomenheden van het verleden te rechtvaardigen uit naam van een betere toekomst; voor de Britten is de toekomst hypothetisch terwijl het heden tot ontevredenheid stemt.

Premier Blair is de strijd om de euro in eigen land aangegaan. Hij verdient die strijd te winnen. Maar we moeten wel onthouden dat het gevecht steeds om de technische aspecten van de muntunie zal gaan, die zal worden afgeschilderd als een noodzakelijk kwaad. De belangrijkere vraag welke rol het land binnen Europa moet gaan spelen, zal men uit de weg gaan. En zolang die strijd niet gewonnen is, neemt Groot-Brittannië binnen de EU een uitzonderingspositie in.

Jonathan Eyal is verbonden aan het Royal United Services Institute for Defence Studies in Londen.